Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
18/2213 WMO15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1997, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling uren huishoudelijke ondersteuning per week. In het bestreden besluit zijn de aanspraken van appellante onvoldoende geconcretiseerd. De Raad sluit bij het zelf voorzien aan bij de normen van het CIZ Protocol Huishoudelijke Verzorging. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, waaronder de grootte van de woning, het feit dat appellante alleenstaand is, de onbetwiste noodzaak van de extra wasverzorging vanwege haar bloedingen, de extra vervuiling als gevolg van de bloedingen en van het zalven en de noodzaak van hoge hygiëne vanwege het infectiegevaar komt de Raad vierenhalf uur huishoudelijke ondersteuning per week niet onredelijk voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2213 WMO15

Datum uitspraak: 20 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2018, 17/778 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.S.S. de Kok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019. Namens appellante is mr. De Kok verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1932, ondervindt beperkingen ten gevolge van onder meer de ziekte van Werlhoff (een auto‑immuunziekte), psoriasis en artrose. Appellante ontving vanaf 2 juni 2009 feitelijk drieënhalf uur huishoudelijke ondersteuning per week.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 11 april 2016 appellante voor de periode van 11 april 2016 tot en met 4 april 2021 een ondersteuningsarrangement verstrekt voor het voeren van een huishouden (bestaande uit ondersteuning en regie bij het huishouden: trede zes, alleenstaande, schoonhouden van woning, wassen van kleding, strijken van kleding (inclusief opbergen), extra bewassing) en voor (sociale) dagbesteding, intensief. De ondersteuning wordt verleend in natura. De zorgaanbieder ontvangt voor dit volledige ondersteuningsarrangement een budget van maximaal € 327,00 per week, waarvan € 66,- per week voor de huishoudelijke verzorging. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 23 december 2016 (bestreden besluit) het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en met ingang van 11 april 2016 het aan de zorgaanbieder te betalen budget voor het onderdeel huishoudelijke verzorging verhoogd naar € 87,25 per week. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de zeldzame combinatie van de aandoeningen progressieve klachten geven die invloed hebben op de schoonheid en hygiëne van het huis. Het college blijft na de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402) werken zonder urenberekening, maar het college maakt wel duidelijker welke concrete ondersteuning cliënten kunnen verwachten. De afspraken die de cliënt en zorgaanbieder met elkaar maken (het leveringsplan) zijn nu onderdeel van de beschikking. Het op 8 december 2016 door zorgaanbieder Aafje Hulpthuis opgestelde leveringsplan, waarin de frequentie van de diverse huishoudelijke werkzaamheden is vastgelegd, maakt onderdeel uit van het bestreden besluit. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de extra indicatie die haar is toegekend ontoereikend is. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016 slaagt niet, nu in de onderhavige zaak sprake is van een andere, individuele wijze van indiceren.

3. Appellante voert in hoger beroep aan dat zij vanaf 11 april 2016 feitelijk tweeënhalf uur en vanaf 23 december 2016 drieënhalf uur huishoudelijk hulp in de praktijk heeft ontvangen. Ook die laatste omvang is onvoldoende; er blijven continu allerlei wisselende taken liggen.

Er is geen rekening gehouden met (de progressie van) haar zeldzame medische klachten. De wijkverpleging komt dagelijks bij appellante wonden verschonen en verbinden. Vanwege de vele open wondjes en de daaruit volgende ontstekingen is het van belang dat met name de badkamer schoon is. Door het tweemaal daags insmeren met zalf, alsmede de bloedingen, worden het huis en het beddengoed extra bevuild. De beroepsgrond en de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016 dat er geen objectief onderzoek heeft plaatsgevonden naar noodzakelijke handelingen en de frequentie waarmee zij moeten worden verricht, heeft de rechtbank ten onrechte verworpen. Ten slotte is de relatie tussen het beschikbaar gestelde budget en het opgestelde leveringsplan niet inzichtelijk.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.2.

Artikel 11, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (Verordening) bepaalt dat de ondersteuning in de vorm van dienstverlening plaatsvindt in de vorm van een ondersteuningsarrangement, binnen één of meer van de volgende door het college, in overleg met de cliënt, vastgestelde resultaatgebieden: (…) b. het voeren van een huishouden, inclusief het voeren van de regie over het doen van het huishouden (…).

4.3.

In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (Beleidsregels) is in paragraaf 1 vermeld:

“(…) De ondersteunende dienstverlening is gericht op het compenseren van belemmeringen die een cliënt ondervindt binnen één of meerdere van de volgende resultaatsgebieden: (…) b. ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden (…).

De omvang van de indicatie per resultaatsgebied wordt bepaald in treden. Het aantal treden verschilt per resultaatsgebied. Het resultaatsgebied of de resultaatsgebieden die worden geïndiceerd vormt/vormen samen het ondersteuningsarrangement. Het ondersteuningsarrangement bepaalt het bedrag dat de gecontracteerde aanbieder ontvangt voor de verdere invulling van de ondersteuning aan de cliënt op basis van het ondersteuningsplan., dan wel het bedrag waarover de aanvrager maximaal kan beschikken om zijn ondersteuning zelf in te kopen (pgb). (…)”

In paragraaf 3 van de Beleidsregels wordt vermeld:

“(…) Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden (…) is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. Dit kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van kleding doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen, maar ook doordat de cliënt niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. (…) Het gaat bij het resultaatsgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden om de volgende resultaten: a. het huis is schoon en leefbaar; b. de cliënt beschikt over schone en draagbare kleding (…).

Het aangeven van een vaste, objectieve frequentie voor de uit te voeren werkzaamheden is niet mogelijk. Enerzijds is er geen vaste objectieve norm voor de frequentie waarmee bijvoorbeeld een huis schoongemaakt moet worden, hooguit een indicatieve norm. Anderzijds is de frequentie ook sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden van de cliënt (…).

Een schoon en leefbaar huis wil zeggen dat een cliënt kan beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Dat wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van 'schoon en hygiënisch' te realiseren. Hiermee wordt het te behalen eindresultaat in afdoende mate kwalitatief genormeerd geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht te nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop volgende onderdeel 2.

(…) De werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die wekelijks/tweewekelijks of met een lagere frequentie (…) hoeven te worden gedaan (…)

Op basis van de leefsituatie en de benodigde ondersteuning wordt de cliënt ingedeeld in een bepaalde trede. Op basis van deze trede ontvangt de zorgaanbieder een budget, waarmee deze geacht wordt de te bereiken resultaten te behalen. (…)

Trede 6:

• 1-persoons huishouden. Wassen, strijken en extra bewassing.

• 1-persoons huishouden. Complexe ondersteuning. Kinderen onder 12 jaar.

• Meerpersoonshuishouden. Wassen of strijken.

• Meerpersoonshuishouden. Kinderen onder 12 jaar. (…)”

4.7.

Aan appellante is een ondersteuningsarrangement toegekend waarin voor het voeren van het huishouden ondersteuning is begrepen in trede 6 met anderhalf keer het daarbij behorende budget, kennelijk uitkomend op een bedrag van € 87,25 per week. Uit de gedingstukken blijkt dat het college de feitelijke omvang van de huishoudelijke ondersteuning laat bepalen door de zorgaanbieder. In het leveringsplan van 8 december 2016 is opgenomen dat de zorgaanbieder voor de uitvoering van de werkzaamheden een inschatting maakt van de benodigde inzet. In beginsel komt de zorgaanbieder twee keer per week. De vastgelegde afspraken gelden als richtsnoer, de huishoudelijke hulp die bij appellante komt kan hierin variëren. Uit het bestreden besluit en uit het leveringsplan blijkt niet op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning appellante recht heeft. De zorgaanbieder heeft appellante ook niet hierover concreet geïnformeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgaanbieder in de praktijk drieënhalf uur per week huishoudelijke ondersteuning heeft geleverd aan appellante.

4.8.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 mei 2016 heeft geoordeeld, weten de hulpvrager en de aanbieder bij deze wijze van toekennen van een voorziening niet hoeveel huishoudelijke ondersteuning is verstrekt. Hoewel deze uitspraak is gewezen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning moet deze werkwijze ook onder de Wmo 2015 strijdig worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel (vergelijk de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633). In feite weet appellante door deze wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening tot de dag van vandaag niet op hoeveel uur ondersteuning zij kan rekenen. Dat het college in het bestreden besluit voor de concretisering van de aanspraak heeft verwezen naar het bijgevoegde leveringsplan, waarin per woonruimte is vermeld welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, door wie en met welke frequentie, doet hieraan niet af. Vergelijk hiertoe de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3241).

4.9.

Hieruit volgt dat in het bestreden besluit de aanspraken van appellante onvoldoende zijn geconcretiseerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

4.10.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 8 oktober 2018, overweging 4.14, sluit de Raad bij het zelf voorzien in deze zaak aan bij de normen van het CIZ Protocol Huishoudelijke Verzorging. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, waaronder de grootte van de woning, het feit dat appellante alleenstaand is, de onbetwiste noodzaak van de extra wasverzorging vanwege haar bloedingen, de extra vervuiling als gevolg van de bloedingen en van het zalven en de noodzaak van hoge hygiëne vanwege het infectiegevaar komt de Raad vierenhalf uur huishoudelijke ondersteuning per week niet onredelijk voor. Dit betekent dat de Raad zal beslissen dat appellante vanaf 11 april 2016 in aanmerking komt voor vierenhalf uur huishoudelijke ondersteuning per week.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 11 april 2016 en bepaalt dat aan appellante gedurende vierenhalf uur per week huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appelante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.A.A. Traousis

md