Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:98

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
18/3867 ONBEK
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het pensioenoverzicht waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt en de verzoeken die appellante heeft gedaan betreffen daarom een privaatrechtelijke aangelegenheid, ter zake waarvan aan het ABP geen openbaar gezag toekomt als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. Het ABP kan daarom niet als bestuursorgaan worden aangemerkt. Dit betekent dat geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het ABP als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard om van het beroep van appellante kennis te nemen. Op grond van het artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Niet-Kei-zaken) 2017 wordt, indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift geen griffierecht geheven. Is wel griffierecht betaald, dan wordt dit terugbetaald. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet dat de rechtbank het griffierecht aan appellante heeft terugbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/51
PJ 2019/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3867 ONBEK

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2018, 17/4355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het ABP heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft, gelet op artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geoordeeld dat het houden van een zitting achterwege kan worden gelaten.

OVERWEGINGEN

1. Het ABP heeft appellante bij brief van 12 augustus 2017 een Uniform Pensioenoverzicht einde deelneming toegestuurd. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Appellante heeft tevens verzocht haar in aanmerking te brengen voor een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen. Het ABP heeft hierop bij brief van 25 oktober 2017 gereageerd. Appellante heeft op 6 december 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvragen om een ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) en verstrekking van een voorschot. Ook heeft zij beroep ingesteld tegen de brief van

25 oktober 2017.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de beroepen kennis te nemen. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ABP geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Hieruit volgt dat van het nemen van een besluit in de zin van de Awb geen sprake is. Nu het ABP naar het oordeel van de rechtbank in deze kwestie in het geheel geen beslissing als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan nemen, kan geen beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het ABP op de aanvraag van appellante van 26 augustus 2017 bij de bestuursrechter. De bestuursrechter is daarom onbevoegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bestuursrechter eveneens onbevoegd is kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen de brief van het ABP van 25 oktober 2017. Over de ingebrekestelling(en) heeft de rechtbank overwogen dat appellante daarvoor uitsluitend bij de burgerlijke rechter een vordering kan instellen.

3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het ABP zich pas tijdens de procedure bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd is over de kwestie te beslissen. Hiermee zou het ABP zich misleidend hebben opgesteld, waardoor appellante zich mogelijk abusievelijk tot het verkeerde rechtsorgaan heeft gewend en onnodig kosten heeft moeten maken. Appellante kan zich dan ook niet vinden in het oordeel dat er geen aanleiding bestaat het ABP te veroordelen in de proceskosten van appellante en tot het vergoeden van griffierecht en geleden schade. Appellante heeft herhaald dat het ABP wel als bestuursorgaan heeft gehandeld en zich gedraagt als ware het een overheidsorgaan.

3.2.

Het ABP heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 1996 is het Algemeen burgerlijk pensioenfonds geprivatiseerd. Ter uitvoering van de Wet privatisering ABP (WpA) is de Stichting Pensioenfonds ABP opgericht. Deze stichting heeft – kort gezegd – tot taak om als privaatrechtelijk pensioenfonds de verantwoordelijkheid te dragen voor de pensioenen van het overheidspersoneel, waartoe de aanspraken van de deelnemers worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. De stichting is een rechtspersoon naar burgerlijk recht en in beginsel geen bestuursorgaan.

4.2.

Het pensioenoverzicht waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt en de verzoeken die appellante heeft gedaan betreffen daarom een privaatrechtelijke aangelegenheid, ter zake waarvan aan het ABP (haar bestuur en andere organen hierin begrepen) geen openbaar gezag toekomt als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. Het ABP kan daarom niet als bestuursorgaan worden aangemerkt. Dit betekent dat geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het ABP als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb.

4.3.

Appellante kan worden toegegeven dat het wellicht verwarrend is dat het ABP in zijn brief van 25 oktober 2017 te kennen heeft gegeven dat appellante “middels een voor bezwaar vatbare beslissing” zou worden geïnformeerd, wat haar telefonisch al eerder was bericht. Uit het Pensioenreglement blijkt echter dat een betrokkene zijn bezwaar moet voorleggen aan het ABP en dat het ABP per geval aangeeft of tegen de beslissing op bezwaar beroep kan worden ingesteld bij de Commissie van Beroep. Hieruit volgt eveneens dat appellante geen beroep kon instellen bij de rechtbank.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het beroep van appellante kennis te nemen.

4.5.

Op grond van het artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Niet-Kei-zaken) 2017 wordt, indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift geen griffierecht geheven. Is wel griffierecht betaald, dan wordt dit terugbetaald. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet dat de rechtbank het griffierecht aan appellante heeft terugbetaald. In zoverre slaagt het hoger beroep. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat het griffierecht dat in beroep door appellante is betaald door de griffier van de rechtbank aan appellante wordt terugbetaald. Voor vergoeding van in beroep gemaakte kosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

4.6.

Gelet op 4.5 bestaat aanleiding met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellante wordt terugbetaald.

4.7.

Voor een veroordeling van ABP tot betaling van schadevergoeding bestaat geen ruimte, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin niet is bepaald dat het griffierecht
wordt vergoed;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- aan
appellante terugbetaalt;
- bepaalt dat de griffier van de Raad het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- aan
appellante terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M Zeijen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) W.M. Swinkels

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de
Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

md