Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
17/2958 PW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1769
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1775
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Waarnemingen betreffen geen stelselmatige observaties omdat zij niet waren gericht op appellanten als persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2958 PW, 17/2965 PW

Datum uitspraak: 19 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 maart 2017, 16/4404 en 16/4635 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Velthorst. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk en mr. J.M. Tang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Nadat appellant in januari 1999 de echtelijke woning had verlaten, ontving appellante vanaf 15 januari 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellanten zijn op 21 juni 1999 gescheiden van tafel en bed. Zij hebben samen twee, inmiddels volwassen, dochters. Appellante staat sinds 1 februari 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, samen met haar dochter [naam dochter] ingeschreven op het adres [straat] (uitkeringsadres)

te [gemeente] . Appellant staat ingeschreven op het adres [adres]

(adres van appellant). Hij woont daar in bij de hoofdbewoner.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 30 december 2014, dat appellanten samenwonen op het uitkeringsadres en dat de scheiding in scène is gezet zodat appellante bijstand kan ontvangen, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, verbruiksgegevens opgevraagd bij energiebedrijf Eneco en waterbedrijf Evides,

24 waarnemingen verricht in de periode van 24 januari 2015 tot en met 1 april 2015 en veertien waarnemingen in de periode van 7 september 2015 tot en met 16 september 2016, onder meer in de omgeving van het uitkeringsadres, en voorts bankafschriften van appellant gevorderd. Verder heeft de sociale recherche appellanten op 8, 9 en 10 december 2015 verhoord en op 8 december 2015 een buurtonderzoek verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Appellante heeft op 8 december 2015 toestemming voor een huisbezoek geweigerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een strafrechtelijk rapport van 8 maart 2016.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 18 december 2015 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 8 december 2015 ingetrokken. Voorts heeft het college bij besluit van 15 maart 2016 (besluit 2) de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 februari 2006 tot en met 7 december 2015 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 113.883,97 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 15 maart 2016 (besluit 3) heeft het college een bedrag van € 113.883,97 mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Zij heeft dit niet aan het college opgegeven en daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Op grond van het voeren van de gezamenlijke huishouding is appellante geen zelfstandig subject van bijstand en heeft zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het gezamenlijk inkomen was ten minste gelijk aan de norm die geldt voor gehuwden.

1.4.

Bij besluit van 3 juni 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college, onder wijziging van de grondslag, de bezwaren van appellante tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De grondslag is in die zin gewijzigd dat aan de intrekking en terugvordering over de periode van 1 februari 2006 tot en met 7 december 2015 ten grondslag wordt gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van appellant, als gevolg waarvan ten onrechte aan haar als zelfstandig subject bijstand is verleend. Aan de intrekking met ingang van 8 december 2015 wordt ten grondslag gelegd dat appellante ten onrechte medewerking heeft geweigerd aan het mogelijk maken van een noodzakelijk huisbezoek.

1.5.

Bij besluit van 6 juni 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten

1. en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De 24 waarnemingen die zijn verricht in de periode van 24 januari 2015 tot en met 1 april 2015 zijn aan te merken als stelselmatige observaties, waarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Daarmee is het recht op eerbiediging van het privéleven en van de woning als bedoeld in artikel 8 van het

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Deze schending kan naar zijn aard niet meer worden hersteld, zodat het bewijs dat is verkregen als gevolg van die schending buiten beschouwing dient te blijven. Appellante heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende zijn voor de conclusie van het college dat appellanten in de periode in geding niet duurzaam gescheiden leefden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de periode van 1 februari 2006 tot en met 7 december 2015 (periode in geschil).

4.2.

Vaststaat dat de waarnemingen een inbreuk vormen op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van

24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:297) vormt de in artikel 53a van de PW vermelde onderzoeksbevoegdheid hiervoor een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Anders dan appellant heeft betoogd zijn - zoals in 4.3 nader wordt besproken - de waarnemingen niet aan te merken als stelselmatige observaties en evenmin verricht met een technisch hulpmiddel, zodat de daarmee gemaakte inbreuk gering is te achten.

4.3.

Zoals blijkt uit de verslaglegging van de waarnemingen, zoals opgenomen in het

onder 1.2 genoemde rapport van 8 maart 2016, hebben de sociaal rechercheurs in ruim twee maanden op 22 dagen waarnemingen verricht in de openbare ruimte, op diverse tijdstippen van de dag, voornamelijk ‘s avonds. Uit de verslaglegging over de wijze van het onderzoek blijkt dat de waarnemingen waren gericht op de aanwezigheid van de auto die op naam van appellant stond. Ook uit de verslaglegging van wat is waargenomen blijkt dat de waarnemingen waren gericht op de vaststelling of de auto op naam van appellant al dan niet aanwezig was bij het uitkeringsadres, waarbij een enkele keer in de omgeving van het adres van appellant en het adres van de werkgever van appellant is gekeken. De stelling van appellant dat de waarnemingen op de persoon waren gericht, wordt dan ook niet gevolgd. Weliswaar zijn bij de waarnemingen geen begin- en eindtijden vermeld, maar duidelijk is dat het vooral kortdurende waarnemingen zijn geweest in een relatief korte periode, die ook niet op aaneengesloten dagen zijn gedaan. Daarmee kon, anders dan appellant heeft gesteld, niet een min of meer compleet beeld worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van appellanten. De aard en de inzet van de waarnemingen vormen dan ook een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. De beroepsgrond van appellant slaagt dan ook niet.

4.4.

Vaststaat dat appellanten in de periode in geschil gehuwd waren.

4.5.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.6.

Voor de beoordeling van duurzaam gescheiden leven is niet van belang of betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is.

4.7.

De hierna te noemen onderzoeksbevindingen bieden, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellanten gedurende de periode in geschil niet duurzaam gescheiden leefden.

4.7.1.

Allereerst zijn voor dat oordeel de verklaringen van appellanten van belang. Appellante heeft verklaard dat zij in 1999 een tijdje uit elkaar moesten, maar dat zij in haar achterhoofd het gevoel had dat het misschien wel weer eens goed zou komen. Appellant heeft haar wel een paar keer voorgesteld om opnieuw te beginnen, maar naar haar idee was het toen nog niet de juiste tijd daarvoor. De relatie tussen haar en appellant is vanaf 1999 normaal. Zij hebben gewoon goede contacten met elkaar. Als er wat is, bespreken zij het samen aan tafel. Appellant mag voor zijn kinderen komen en gaan wanneer hij wil. Appellant is altijd degene die ‘s ochtends de hond uitlaat. Als zij wat nodig heeft, dan brengt hij dat met de auto. Eén keer in de week op zaterdag doen zij samen de boodschappen. Appellant eet ook wel eens mee. Dat doen zij al zo vanaf dat zij gescheiden zijn. Als er een bruiloft ver weg is, gaan zij met zijn vieren met de auto. Ook zijn zij meermalen met elkaar, soms met anderen daarbij, op vakantie geweest. Appellant heeft verklaard dat zij een hernieuwde relatie hebben en dat hij vanaf januari 2015 op het uitkeringsadres slaapt, eet en woont. Zij wilden het college daarover per januari 2016 inlichten. Hij heeft er hard voor moeten werken om ervoor te zorgen dat zij getrouwd bleven. Appellant heeft ook in beroep nog aangevoerd dat hij met appellante weer bij elkaar wilde komen.

4.7.2.

Vervolgens komt betekenis toe aan het feit dat appellanten tot en met 11 mei 2010 beschikten over een en/of-rekening, op welke rekening ook het salaris van appellant werd gestort. Appellante heeft appellant op 28 april 2000 als begunstigde opgenomen in een levensverzekering met als einddatum 28 april 2015 en de Belastingdienst beschouwt hen vanaf het fiscale jaar 2012 als fiscale partners. Verder is gebleken dat appellante vanaf
1 januari 2005 een parkeervergunning heeft voor de auto die op naam stond van appellant. Het college heeft in verweer in beroep opgemerkt dat appellant voor zijn adres geen parkeervergunning heeft, hoewel daar ook betaald parkeren is ingevoerd. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat in Rotterdam voor bezoekers de mogelijkheid bestaat een bezoekerspas aan te vragen en erop gewezen dat de oudste dochter die is geboren [in]
1990, in 2005 nog minderjarig was. Gelet daarop wordt aan de verklaring dat dit zo was geregeld, omdat appellant met regelmaat zijn dochters kwam bezoeken en omdat ook de dochters van die auto gebruik maakten, geen gewicht toegekend.

4.7.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant overgelegde verklaringen van buren onvoldoende overtuigend zijn om afbreuk te doen aan de onder 4.7.1 en 4.7.2 opgenomen onderzoeksbevindingen. Het gaat hier om achteraf door een van de dochters op schrift gestelde verklaringen van buren. Deze verklaringen zijn allereerst tegenstrijdig aan wat appellant zelf heeft verklaard over de woonsituatie vanaf 1 januari 2015. Verder wordt beoogd met deze verklaringen te onderbouwen dat appellante een alleenstaande (ouder) is die alleen woont. Gelet op 4.6 is voor de vaststelling of appellanten al dan niet duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in de PW niet van belang of zij over een afzonderlijke woning beschikten.

4.7.4.

Dat appellant, zoals appellante heeft gesteld, nooit bleef overnachten en mocht langskomen voor de kinderen is in het licht van het onder 4.6 aangehaalde beoordelingscriterium niet van belang. De aard van hun relatie, hun subjectieve beleving daarvan en het motief op grond waarvan zij de samenleving niet, nog niet of niet opnieuw hebben verbroken blijven voor de toepassing van de PW buiten beschouwing.

4.8.

Gelet op 4.7 tot en met 4.7.4 behoeven de beroepsgronden over de overige onderzoeksbevindingen geen verdere bespreking.

4.9.

Ofschoon appellanten in de periode in geschil niet duurzaam gescheiden leefden, is aan appellante niettemin als alleenstaande (ouder) bijstand verleend, omdat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Dit betekent dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de PW met wiens middelen bij de verlening van de bijstand aan appellante over de periode in geschil rekening moest worden gehouden. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de PW. Het college was dus bevoegd de kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Tegen de uitoefening van deze bevoegdheid heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

md