Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
16/4703 WAO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtuigende motivering deskundige. Ook anderszins geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport van de deskundige en de aanvulling daarop niet te volgen. De FML van 1 april 2014 geeft voor de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 geen juiste weergave van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Opdracht aan Uwv het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4703 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 juni 2016, 15/384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], België (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

Na behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft orthopedisch chirurg dr. J.B.A. van Mourik als deskundige benoemd. Deze heeft op 5 september 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben naar aanleiding van het rapport van de deskundige zienswijzen ingediend. De deskundige heeft op 31 oktober 2018 nader gerapporteerd. Partijen hebben hierop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich op 14 december 1994 ziek gemeld voor haar werk als zweminstructrice voor 30 uur per week in verband met gevolgen van een haar overkomen ongeval, waarbij een brandkast op haar linker onderbeen is gevallen. Bij dit ongeval heeft zij een crushverwonding en een verbrijzeling van het linker onderbeen opgelopen. Appellante is met ingang van 12 december 1995 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2.

Appellante heeft bij brief van 6 februari 2014 gemeld dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Naar aanleiding van deze melding heeft appellante op 1 april 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft vermeld dat appellante als gevolg van het ongeval forse afwijkingen aan het linker onderbeen en linkervoet heeft. Onderzoek van de rug en knieën bevestigen de klachten. De arts vindt het begrijpelijk dat appellante met haar klachten haar werk als zweminstructrice in de omvang waarin zij dat laatstelijk verrichtte, vijf uur per week, niet meer kan verrichten. Dit leidt niet tot extra beperkingen ten opzichte van de vorige herbeoordeling in 2007, omdat met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei 2007 de door appellante genoemde toegenomen klachten in voldoende mate worden ondervangen. Bij arbeidskundig onderzoek in 2007 konden geen passende functies worden geselecteerd. Uitgaande van de geactualiseerde FML van 1 april 2014 heeft een arbeidsdeskundige bij de voorliggende schatting wel functies kunnen selecteren die appellante zou kunnen verrichten. Op basis van de drie hoogst verlonende functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 20,01%. Bij besluit van 8 mei 2014 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante vanaf 16 juli 2014 verlaagd en berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 18 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat er onvoldoende aanleiding is om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is onderschreven. De verzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd dat de ervaren problemen sinds 2007 niet zijn gewijzigd en er geen objectieve redenen zijn om meer beperkingen vast te stellen voor zitten, knielen en hurken of een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk geconcludeerd dat de verzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen al rekening heeft gehouden met de door appellante vermelde artrose in de rechterknie. Wanneer rekening wordt gehouden met de beperkingen in de FML, is er geen reden voor het vaststellen van een urenbeperking. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven omdat niet is gebleken dat de belasting in de voorgehouden functies als ook de totaalbelasting van de functies, de mogelijkheden van appellante te boven gaat. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende overtuigend het opleidingsniveau en de ervaringsvereisten van de functies toegelicht. Voor wat betreft de door appellante geuite twijfel over de juistheid van de omschrijving van de werkzaamheden van de functies heeft de rechtbank gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten is als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van arbeidsongeschiktheidswetten (ECLI:NL:CRVB:2008:BC4826).

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Zo heeft zij staande gehouden dat haar klachten zijn onderschat. Appellante heeft als gevolg van het ongeval een ernstige functiestoornis aan de linkerknie-, het -been en de -voet waardoor zij een voetbeugel draagt. Daarbij heeft zij ernstige artrose in haar rechterknie. Met de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen op de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 in de FML van 1 april 2014 wordt onvoldoende recht gedaan aan haar feitelijke situatie en klachten omdat het CBBS op deze beoordelingspunten slechts twee mogelijkheden kent om de belastbaarheid voor het knielen en hurken weer te geven, namelijk “normaal” of “beperkt”. Appellante is door haar ernstige klachten en beperkingen geheel niet in staat te hurken of knielen, zodat de vastgestelde belastbaarheid op deze beoordelingspunten onjuist is. Voorts is zij door haar klachten niet mobiel en kan zij maar een half uur lopen. De constante pijnklachten rechtvaardigen een urenbeperking. De functies zijn niet passend omdat er in de functies geknield en gehurkt moet worden. Verder heeft appellante een algemene vooropleiding HAVO gedaan en geen specifieke beroepsopleiding die in de functies gevraagd wordt. Tot slot is volgens appellante onvoldoende transparant waarom er, ten opzichte van 2007, met dezelfde FML, nu wel functies geselecteerd kunnen worden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geding of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een toereikend gemotiveerde medische en arbeidskundige grondslag en of terecht is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 16 juli 2014 20,01% bedraagt, wat leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.

4.2.

De Raad heeft aanleiding gezien orthopedisch chirurg Van Mourik te vragen hem van advies te dienen. In zijn rapport van 5 september 2018 heeft de deskundige geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding, 16 juli 2014, sprake is van een status na ernstige fractuur van het linker onderbeen, waardoor een gedeformeerd linker onderbeen resteert met onvermogen de linkervoet te heffen. Wegens een artrotisch linker enkelgewricht draagt appellante semi-orthopedisch schoeisel. Ten gevolge van artrose is in beide knieën een knieprothese geplaatst. Over de hieruit voortkomende beperkingen, heeft de deskundige in het aanvullende rapport van 31 oktober 2018 het volgende geconcludeerd. De deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gevolgd in diens standpunt dat het voor appellante mogelijk moet zijn door buiging van de rug, het flecteren van de knie en het achteruit bewegen van de linkerbeen, een muntstuk op te rapen. Bij de door de verzekeringsarts beschreven beweging moet het linkerbeen achteruit worden gehouden en moet de rechterknie buigen, wat voor appellante niet mogelijk is gelet op de in de rechterknie aanwezige artrose en de spitsstand van de linkerenkel. Hierdoor kan appellante niet knielen of hurken als bedoeld in beoordelingspunt 4.22 (knielend of hurkend met de handen de grond bereiken), ook niet wanneer de frequentie van hurken fors beperkt blijft. Voor appellante is het hierdoor evenmin mogelijk om (beperkt) geknield of gehurkt actief te zijn, zoals bedoeld het in beoordelingspunt 5.5 van de FML.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport van de deskundige en de aanvulling daarop niet te volgen. De deskundige heeft appellante onderzocht en kennisgenomen van de gedingstukken die medische informatie bevatten over de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum in geding. Voorts heeft de deskundige de zienswijzen van partijen in het aanvullende rapport van 31 oktober 2018 betrokken. De deskundige heeft overtuigend geconcludeerd dat het voor appellante niet mogelijk is dynamisch dan wel statisch te knielen of te hurken, als bedoeld in de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 van de FML. Wat van de kant van het Uwv is aangevoerd is gemotiveerd weerlegd door de deskundige en leidt niet tot twijfel aan diens conclusies. Omdat de deskundige heeft geconcludeerd dat het voor appellante niet mogelijk is om te knielen of te hurken of geknield of gehurkt actief te zijn, is de FML van 1 april 2014 voor de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 geen juiste weergave van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding.

4.4.

Uit wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. Dit besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Er bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, in die zin dat de voor appellante geldende FML wordt aangepast door daarin de door de deskundige genoemde beperkingen op te nemen. Het Uwv moet vervolgens bezien of arbeidskundig onderzoek aanleiding geeft tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 december 2014 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

OS