Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
16/692 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit 2 wordt mede in de beoordeling betrokken. Bestreden besluit 1 niet gehandhaafd. Artikel 30b, eerste lid, van de ZW staat de door appellante gewenste eerdere intrekking van de ZW-uitkering van betrokkene in de weg. Beroep tegen bestreden besluit 2 kan dus niet slagen. Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 692 ZW, 19/464 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 januari 2016, 15/2166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Sterk Werk Uitzendbureau B.V. te Ruinen (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 13 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.R. Bos. Betrokkene is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts L. Greveling‑Fockens heeft op

4 mei 2018 een rapport uitgebracht. Partijen hebben naar aanleiding van dit rapport zienswijzen ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 5 september 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Bos. Betrokkene is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft op 17 oktober 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam voor appellante als hovenier, toen hij zich op 28 oktober 2013 ziek heeft gemeld voor dit werk met voetklachten na een arbeidsongeval. Het Uwv heeft betrokkene in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is betrokkene gezien door een verzekeringsarts en heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat betrokkene niet in staat is zijn eigen werk te verrichten en gesteld dat hij onvoldoende functies heeft kunnen selecteren om te kunnen vaststellen dat betrokkene nog meer dan 65% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 oktober 2014 vastgesteld dat betrokkene per 27 oktober 2014 ongewijzigd recht heeft op ziekengeld, omdat hij minder dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is, na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging, bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat betrokkene minder beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen. Appellante heeft verder gesteld dat de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige wel voldoende functies heeft kunnen selecteren en dat het Uwv geen onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat een aantal in eerste instantie geselecteerde functies toch niet geschikt zou zijn voor betrokkene.

3.2.

Na het uitbrengen van het rapport van 4 mei 2018 door de deskundige verschillen partijen alleen nog van mening over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad heeft het onderzoek op de nadere zitting van 5 september 2018 geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nadere toelichting te laten geven.

3.3.

Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 oktober 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 oktober 2014 alsnog gegrond verklaard, bestreden besluit 1 gewijzigd in die zin dat toch voldoende functies konden worden geselecteerd en vastgesteld dat betrokkene met het loon in die functies meer dan 65% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. De ZW-uitkering had beëindigd moeten worden met ingang van 17 november 2014. Daarbij heeft het Uwv vermeld dat op grond van artikel 30b van de ZW, intrekking van de uitkering die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan de dag volgend op de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Omdat betrokkene inmiddels over de maximale termijn ziekengeld heeft ontvangen, zal de beslissing tot intrekking van de ZW-uitkering niet kunnen worden geëffectueerd. Volgens het Uwv betekent dit wel dat de ZW-uitkering ten behoeve van betrokkene ten onrechte is doorberekend in de door appellante te betalen premie. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat dit op grond van het bepaalde van artikel 2:18 van het Besluit Wfsv hersteld zal worden en dat de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, worden vergoed.

3.4.

Bij brief van 20 oktober 2018 heeft appellante gesteld het evenmin eens te zijn met bestreden besluit 2, omdat zij van mening is dat een intrekking van de ZW-uitkering per

27 oktober 2014 zal moeten leiden tot een vervroegde toewijzing van een WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Nu bestreden besluit 1 niet is gehandhaafd, heeft de rechtbank het beroep daartegen ten onrechte ongegrond verklaard.

4.3.

Zoals het Uwv terecht heeft vermeld in bestreden besluit 2 vindt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de ZW de intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uwv geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever. Deze bepaling staat dus de door appellante gewenste eerdere intrekking van de ZW-uitkering van betrokkene in de weg. Het beroep tegen bestreden besluit 2 kan dus niet slagen.

5. Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten worden voor beroepsmatig verleende rechtshulp begroot op

€ 1.024,- in beroep (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt) en € 1.792,- in hoger beroep (hoger beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek 0,5 punt, nadere zitting 0,5 punt, reactie op gewijzigde beslissing op bezwaar 0,5 punt), in totaal € 2.816,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2018 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.816,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 832,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) P.B. van Onzenoort

RB