Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
17/6569 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Vrijwillige verzekering die na de maximumduur van tien jaar in 2013 is beëindigd. Bezwaar hiertegen ongegrond, door de Raad is uitspraak van de rechtbank in 2012 bevestigd. Wat verzoeker heeft aangevoerd is geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 8:119 Awb. Geen hernieuwde discussie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6569 AOW

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 september 2017, 16/6574

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 september 2017.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Verzoeker is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.C. Rooijers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 28 april 2005 is verzoeker met ingang van 14 februari 2003 toegelaten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) en de

Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 8 augustus 2012 is de vrijwillige verzekering na de maximumduur van tien jaar met ingang van 14 februari 2013 beëindigd. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het besluit van

30 november 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij uitspraak van 1 oktober 2013, 13/365, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 30 november 2012 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 14 augustus 2015, 13/5914, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Bij besluit van 14 juli 2015 heeft de Svb het verzoek van verzoeker om terug te komen van het besluit van 8 augustus 2012 afgewezen. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 januari 2016 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij uitspraak van 12 september 2016, 16/1157, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 21 januari 2016 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van

1 september 2017, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.2.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat hij verzekerd wil blijven voor de vrijwillige verzekering AOW en ANW.

2.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te redresseren. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.

2.5.

Wat verzoeker heeft aangevoerd, is geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 8:119 van de Awb, zoals vermeld onder 2.2, nu hij deze grond ook naar voren heeft gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan om herziening wordt verzocht.

2.6.

Uit overweging 2.2 tot en met 2.5 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.A.E. Lageweg

md