Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
18/2784 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan appellante is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de minister het bezwaar tegen het ontslag per 1 juli 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep voor zover gericht tegen de salarisspecificatie van augustus 2015 kan niet slagen, nu de enige grond van appellante is dat geen sprake was van ontslag op eigen verzoek en aan een inhoudelijke beoordeling van het ontslag niet wordt toegekomen. De minister heeft de VWNW-vergoeding conform het bepaalde in artikel 49gg, zesde lid, van het ARAR vastgesteld en heeft appellante vanaf het begin hierover consistent geïnformeerd, ook nadat appellante afwijkende informatie van KFR had ontvangen. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Geen onjuiste toepassing van artikel 49ss, eerste lid, van het ARAR bij het toekennen van een aanvullende bijdrage pensioenopbouw. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, zodat er voor de minister geen verplichting tot het vergoeden van de werkelijke pensioenschade bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2784 AW

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 april 2018, 17/3847 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Economische Zaken en Klimaat (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Nederlof en R.M. van der Geer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf september 2006 werkzaam bij het [ministerie] (ministerie), laatstelijk voor zestien uur per week in de functie van [functie] , schaal 11. Daarnaast was zij achttien uur per week werkzaam bij de politie.

1.2.

In het kader van een reorganisatie bij het ministerie is de functie van appellante met ingang van 1 mei 2015 opgeheven. Appellante heeft vanaf die datum de status van verplichte Van Werk Naar Werk (VWNW)-kandidaat verkregen.

1.3.

Op 21 april 2015 is appellante een arbeidsovereenkomst aangegaan met [BV] ( [BV] ) voor de periode van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 voor 36 uur per week. Vooruitlopend daarop en op haar verzoek heeft appellante op 14 april 2015 een indicatieve berekening van de hoogte van de salarissuppletie/-garantie in het kader van de VWNW-voorzieningen ontvangen van de VWNW-manager en van de HRM-adviseur van het ministerie. Zij hebben appellante bericht dat voor de berekening van de

salarissuppletie/-garantie, artikel 49gg, zesde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR), van toepassing is waarbij een maximale bandbreedte van twee salarisschalen geldt. Nadien heeft het Kennispunt Financiële Rechtspositie (KFR) op verzoek van appellante een indicatieve berekening van de hoogte van de salarissuppletie/-garantie gemaakt. Het KFR heeft zijn berekening gebaseerd op artikel 49gg, zevende lid, van het ARAR, waarbij geen maximale bandbreedte van salarisschalen geldt, waardoor de salarissuppletie/-garantie hoger uitvalt.

1.4.

Bij e-mail van 22 juni 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van VWNW-voorzieningen in verband met het aanvaarden van een functie buiten het Rijk. Zij verzoekt, voor zover hier van belang, om salarissuppletie/-garantie en een bijdrage in de pensioenopbouw.

1.5.

Op 29 juni 2015 heeft appellante via P-Direkt haar ontslagverzoek ingediend. In het ontslagaanvraagformulier heeft appellante de volgende opmerking geplaatst: “Hierbij dien ik mijn ontslag in per 1 juli onder voorbehoud van zowel het honoreren door [ministerie] van mijn aanvraag voor VWNW-voorzieningen, als mijn goedkeuring van het uiteindelijke aanbod van het Rijk in deze.” Op 21 juli 2015 is dit ontslagverzoek in P-Direkt geaccepteerd door de programmamanager van de VWNW-organisatie.

1.6.

Bij brief van 13 augustus 2015 is appellante geïnformeerd welke VWNW-voorzieningen en bedragen zij bij haar ontslag zal ontvangen. De in deze brief opgenomen afspraken zijn de voorwaarden waaronder het ontslag op grond van artikel 94 van het ARAR per 1 juli 2015 zal worden verleend. Appellante is verzocht om binnen twee weken een voor akkoord getekend exemplaar te retourneren, waarna appellante het ontslagbesluit zal ontvangen en de regeling zal worden geëffectueerd.

1.7.

Bij brief van 15 september 2015 heeft appellante laten weten dat zij het niet eens is met de in de brief van 13 augustus 2015 genoemde hoogte van de toegekende voorzieningen. Bij brief van 21 september 2015 heeft appellante daarom bezwaar gemaakt tegen deze brief.

1.8.

In verband met het ontslag per 1 juli 2015 is in de salarisspecificatie van augustus 2015 een eindafrekening opgenomen. Op 28 september 2015 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

1.9.

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de minister eenzijdig de voorwaarden van het ontslag per 1 juli 2015 vastgesteld. Appellante heeft tegen dit besluit eveneens bezwaar gemaakt.

1.10.

Bij besluit van 24 april 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de brief van 13 augustus 2015 en het verlenen van ontslag bij besluit van 2 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de minister het bezwaar tegen de salarisspecificatie van augustus 2015 en de bij besluit van 2 augustus 2016 vastgestelde vergoedingen in het kader van de VWNW-voorzieningen ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Appellante heeft geen beroepsgronden ingediend tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaar gericht tegen de brief van 13 augustus 2015. Voor zover het beroep desondanks mede hiertegen is gericht, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht, althans dat geen rechtsgevolgen teweeg zijn gebracht. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaar tegen het verlenen van het ontslag bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de minister op goede gronden aangenomen dat appellante met de door haar gevoerde bezwaarprocedure niet het daadwerkelijk herleven van haar dienstverband bij de minister heeft beoogd. Appellante heeft vanaf 1 juni 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [BV] en haar bezwaargronden tegen het besluit van 2 augustus 2016 zijn gericht op het verkrijgen van hogere vergoedingen in het kader van de VWNW-voorzieningen en niet op het daadwerkelijk hervatten van werkzaamheden op het ministerie. Aldus heeft de minister op goede gronden aangenomen dat appellante geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag. Het beroep voor zover gericht tegen de salarisspecificatie van augustus 2015 kan niet slagen, nu de enige grond van appellante is dat geen sprake was van ontslag op eigen verzoek en aan een inhoudelijke beoordeling van het ontslag niet wordt toegekomen. Voorts heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2016, voor zover dat ziet op de hoogte van de toegekende VWNW-vergoedingen op goede gronden ongegrond verklaard. De minister heeft de vergoeding conform het bepaalde in artikel 49gg, zesde lid, van het ARAR vastgesteld en heeft appellante vanaf het begin hierover consistent geïnformeerd, ook nadat appellante afwijkende informatie van KFR had ontvangen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank is evenmin gebleken van een onjuiste toepassing van artikel 49ss, eerste lid, van het ARAR bij het toekennen van een aanvullende bijdrage pensioenopbouw. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, zodat er voor de minister geen verplichting tot het vergoeden van de werkelijke pensioenschade bestaat. In wat appellante naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid van een standaard berekeningswijze mocht uitgaan.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Voor wat betreft de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaar tegen de brief van 13 augustus 2015 onderschrijft de Raad, anders dan appellante, de overwegingen van de rechtbank.

3.2.

Anders dan appellante is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de minister het bezwaar tegen het ontslag per 1 juli 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Hiervoor is van betekenis dat appellante nooit kenbaar heeft gemaakt dat zij haar werkzaamheden bij het ministerie na 1 juli 2015 wilde voortzetten, noch anderszins dat zij het ontslag niet wilde. Appellante was vanaf 1 juni 2015 voltijds in dienst van en daadwerkelijk aan het werk bij [BV] . Ook is zij akkoord gegaan met een vaste arbeidsovereenkomst bij [BV] per 1 juni 2016. Daarenboven beschikte zij, op het moment dat zij in april 2015 haar arbeidsovereenkomst bij [BV] tekende, over indicatieve berekeningen van de hoogte van de salarissuppletie/-garantie en de toelichting bij die berekeningen zoals uitgevoerd door het ministerie. Haar keuze om een voltijds arbeidsovereenkomst met [BV] aan te gaan en na een jaar voor onbepaalde tijd voort te zetten heeft zij op geen enkele wijze afhankelijk gesteld van

de – hoogte van de – door haar te ontvangen VWNW-vergoedingen. Dat appellante het met de vastgestelde hoogte van die vergoedingen niet eens is, kan daarom op zichzelf niet afdoen aan het feit dat zij niet de intentie had om het ontslag zelf niet in stand te laten.

3.3.

Appellante heeft zich andermaal op het standpunt gesteld dat de salarissuppletie/-garantie te laag is vastgesteld. Zij verwijst daarbij naar het door haar ingewonnen advies bij KFR. Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 49gg, zesde lid, van het ARAR, volgt dat in de hier

gegeven – en niet betwiste – omstandigheden, waarbij appellante een functie heeft aanvaard buiten het Rijk die door het bevoegde gezag niet als passende functie aan haar is aangeboden, de salarissuppletie maximaal twee salarisschalen bedraagt. Dit betekent ook dat de minister appellante van meet af aan juist en volledig heeft voorgelicht. Dat het advies van KFR anders luidt, leidt niet tot een ander oordeel. Het door KFR verstrekte advies is niet bindend. Bovendien is niet bekend op welke, door appellante verstrekte gegevens, KFR zijn berekening heeft gebaseerd. Daar komt bij dat KFR in zijn advies erop heeft gewezen dat hij bij zijn berekening, anders dan de minister, artikel 49gg, zevende lid, van het ARAR, heeft toegepast. In de door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de Raad evenmin aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

3.4.

Verder heeft appellante haar standpunt herhaald dat de minister de hoogte van de tegemoetkoming voor de opbouw van de pensioenvoorziening onjuist heeft vastgesteld, omdat moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie. De Raad volgt appellante niet. Op grond van artikel 49ss, eerste lid, van het ARAR kan het bevoegd gezag de verplichte VWNW-kandidaat een aanvullende bijdrage toekennen voor het in de toekomst op te bouwen pensioen. Hieruit volgt dat zowel het toekennen van de bijdrage, als de vaststelling van de hoogte ervan een discretionaire bevoegdheid van de minister is. Dit betekent dat een terughoudende toets op zijn plaats is. De minister heeft zijn berekeningswijze toegelicht. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot zijn berekening heeft kunnen komen.

3.5.

Het bezwaar gericht tegen de salarisspecificatie van augustus 2015 zag uitsluitend op de grond dat het ontslag per 1 juli 2015 niet aan de orde was. Onder verwijzing naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak en rechtsoverweging 4.2 is de Raad van oordeel dat de minister het bezwaar tegen de salarisspecificatie terecht ongegrond heeft verklaard.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

md