Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:93

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
17/3333 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3333 WIA

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
20 maart 2017, 16/2780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als basishulp huishoudelijke verzorging voor 15 uur per week. Zij is op 9 oktober 2013 uitgevallen met lichamelijke klachten. Op

3 juli 2015 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft de inhoudelijke behandeling van deze aanvraag uitgesteld, omdat de werkgeefster van appellante niet had voldaan aan haar

re-integratieverplichtingen. In verband daarmee heeft het Uwv aan de werkgeefster een loonsanctie opgelegd en bepaald dat deze het loon moest doorbetalen. Nadat de werkgeefster van appellante alsnog aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan heeft het Uwv de WIA-aanvraag van appellante inhoudelijk beoordeeld.

1.2.

In het kader van de aanvraag hebben een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. Dit heeft geleid tot het besluit van 11 december 2015 waarbij is vastgesteld dat voor appellante per 2 december 2015 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerder door een arts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst aangescherpt. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens enkele eerder door een arbeidsdeskundige geselecteerde functies als ongeschikt aangemerkt en enkele nieuwe functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid ook op basis hiervan vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft hierop bij beslissing op bezwaar van 11 april 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 december 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling. Dit geldt ook voor de eigen bevindingen van de artsen van het Uwv en de informatie van de behandelend sector. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat daarbij aspecten van de gezondheidstoestand van appellante zijn gemist. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de medische belastbaarheid op de datum in geding door de verzekeringsartsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft in dit verband stilgestaan bij de inhoud van de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv.

Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat de eigen opvatting van appellante over haar gezondheidstoestand en de daaruit voorvloeiende beperkingen een ontoereikende grondslag vormen voor het oordeel dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding sprake was van verdergaande beperkingen dan door het Uwv aangenomen. De door appellante overgelegde medische informatie biedt daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen grond. De brief van de manueel therapeut J. van den Hoven vermeldt dat appellante in november 2015 klachtenvrij was en er is geen onderbouwde weerlegging dat dit op de datum in geding

(2 december 2015) anders was. De brief van handtherapeut P. Joldersma van 6 juni 2016 werpt daar ook geen ander licht op. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de conclusies van de arbeidsdeskundigen te twijfelen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de medische informatie blijkt dat de handfuncties normaal zijn, is onjuist. Appellante heeft evenals in beroep gewezen op de brief van de handtherapeut Joldersma van 6 juni 2016, waarin is vermeld dat sprake is van fors verminderde knijpkracht links. Aan de informatie uit deze brief is ten onrechte voorbij gegaan en de verzekeringsarts bezwaar en beroep had in moeten gaan op de tegenstrijdigheid tussen de brief van Joldersma en die van Van den Hoven, waarin is vermeld dat appellante eind november 2015 klachtenvrij was. De medische onderbouwing is dan ook gebrekkig en de rechtbank heeft dat naar de mening van appellante miskend. In hoger beroep heeft appellante verder een brief van G. van de Vlekkert, oefentherapeut Mensendieck, van 29 mei 2017 overgelegd, waarin wordt gesproken over schouderklachten. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat haar belastbaarheid in verband met psychische klachten is onderschat. Door trauma’s uit het verleden zijn deze klachten ontstaan en deze waren ook aanwezig op de datum in geding. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante verwezen naar een uitdraai van het huisartsenjournaal.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de medische problematiek van appellante hebben gemist of de daaruit voortvloeiende beperkingen onjuist hebben ingeschat. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen worden onderschreven.

4.2.

De stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in had moeten gaan op de discrepantie tussen de medische informatie van Van den Hoven en Joldersma treft geen doel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is terecht uitgegaan van de informatie uit de brief van Van den Hoven, waarin is vermeld dat appellante eind november 2015 klachtenvrij was. Deze informatie ziet dus op een datum gelegen rond de datum hier in geding van 2 december 2015. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet heeft onderbouwd waarom dat op

2 december 2015 anders zou zijn geweest. De brief van Joldersma van 6 juni 2016 is van een later moment en bevat geen informatie over de datum in geding. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat deze laatste informatie geen grond biedt voor het aannemen van verdergaande beperkingen. De brief van Van de Vlekkert ziet op een behandeling die heeft plaatsgevonden vanaf februari 2017 en bevat ook geen informatie over de datum in geding. De grond dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met psychische klachten slaagt niet. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd waaruit dit blijkt. Uit het overgelegde huisartsenjournaal blijkt niet dat op of rond de datum in geding sprake was van psychische klachten.

5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md