Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
17/7051 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van de werkgever over de periode 6 februari 2013 tot en met 30 april 2013 wegens betalingsonmacht over te nemen. Er is geen reden om uit te gaan van een bijzonder geval zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 62, tweede lid, van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7051 WW

Datum uitspraak: 20 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2017, 17/1353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als manager werkzaam bij een ingenieursbureau. Op 4 januari 2013 heeft zijn werkgever om bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning voor appellant gevraagd. Op 6 februari 2013 heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen.

1.2.

Op 6 maart 2013 heeft het Uwv aan de werkgever toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met appellant op te zeggen. In een brief van 8 maart 2013 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst, voor zover deze niet reeds was beëindigd door de onmiddellijke opzegging van 6 februari 2013, opgezegd met ingang van 1 mei 2013.

1.3.

Op 25 april 2013 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 17 mei 2013 heeft het Uwv appellant een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 mei 2013. Deze uitkering is met ingang van 9 september 2013 beëindigd omdat appellant per die datum is gaan werken, waardoor hij niet langer werkloos was.

1.4.

Op 2 december 2014 is de werkgever in staat van faillissement verklaard.

1.5.

Uit een proces-verbaal van comparitie van partijen van de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant van 5 oktober 2016 blijkt dat appellant en zijn (inmiddels ex-)werkgever het erover eens zijn dat het ontslag op staande voet van 6 februari 2013 ten onrechte is gegeven.

1.6.

Op 7 december 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van de werkgever over de periode 6 februari 2013 tot en met 30 april 2013 wegens betalingsonmacht over te nemen.

1.7.

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat appellant deze aanvraag meer dan 26 weken nadat de werkgever failliet is verklaard heeft ingediend, terwijl hij ten tijde van het faillissement op 2 december 2014 al een (loon)vordering had.

1.8.

Appellant heeft op 30 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2016. Het Uwv heeft bij besluit van 8 februari 2017 (bestreden besluit) dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen slechts in geschil is of er sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de WW. De rechtbank heeft in de correspondentie tussen appellant en het Uwv en de zich in het dossier bevindende contactgegevens van het Klanten Contact Centrum (KCC) geen aanknopingspunten gezien om aan te nemen dat medewerkers van het Uwv appellant hebben gemeld dat hij pas na de gerechtelijke procedure over het ontslag op staande voet een aanvraag om een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kon indienen. Verder heeft de rechtbank het van belang geacht dat onbekendheid met wet- en regelgeving geen aanleiding geeft tot het aannemen van een bijzonder geval. Nu het uiteindelijk de eigen keuze van appellant is geweest om te wachten met het indienen van de aanvraag totdat de gerechtelijke procedure over het ontslag op staande voet was afgerond komen de gevolgen daarvan voor zijn risico.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep evenals in beroep aangevoerd dat een medewerker van het Uwv hem te kennen had gegeven dat het pas zin had om een WW-uitkering aan te vragen voor de periode na het ontslag op staande voet als bewezen kon worden dat dit ontslag ten onrechte was gegeven. Daarnaast is appellant van mening dat het niet verwonderlijk is dat hij niet aannemelijk kan maken dat een medewerker van het Uwv hem dit advies heeft gegeven, aangezien hij in een heftige periode in zijn leven zat, en gezien het (grote) aantal medewerkers en vestigingen van het Uwv waar hij mee te maken heeft gehad. Appellant heeft aangevoerd dat de verschillende afdelingen van het Uwv elkaar tegenspreken, zich verschuilen achter regels en voorwaarden, en werken met drie verschillende automatiseringssystemen die niet aan elkaar gekoppeld zijn. Appellant is van mening dat hij niet de nadelige gevolgen hiervan mag ondervinden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 62, tweede lid, van de WW heeft de werknemer geen recht op uitkering indien de aanvraag is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen te verkeren in een toestand als bedoeld als bedoeld in artikel 61. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.

4.2.

In geschil is uitsluitend de vraag of er sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 62, tweede lid, van de WW.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:3161) moet het begrip “bijzonder geval” restrictief worden uitgelegd. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een bijzonder geval kunnen als regel slechts die feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die ertoe hebben geleid dat de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

4.4.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat tijdens zijn contactmomenten met het Uwv in 2013 geen enkele keer is gesproken over de mogelijkheid dat zijn werkgever failliet zou gaan. Vervolgens heeft appellant pas weer eind 2016, nadat in een comparitie bij de civiele rechter was erkend dat het ontslag op staande voet van 6 februari 2013 ten onrechte was gegeven, contact gehad met het Uwv. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het Uwv appellant heeft geadviseerd om te wachten op de uitkomst van de gerechtelijke procedure over het ontslag op staande voet voordat hij een aanvraag om een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kon indienen.

4.5.

Het standpunt van appellant ter zitting dat het de taak van het Uwv was om hem in 2013 uit eigen beweging te informeren over zijn rechten en plichten in een situatie van faillissement van zijn (ex-)werkgever wordt niet gevolgd. Het Uwv had toen geen enkele aanleiding om appellant in te lichten over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij niet lang na het faillissement van zijn (ex-)werkgever op 2 december 2014 daarvan op de hoogte is geraakt en het had dan ook op zijn weg gelegen om te informeren bij de Uwv naar deze voorwaarden.

4.6.

Gezien overweging 4.4 en 4.5 is er geen reden om uit te gaan van een bijzonder geval zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 62, tweede lid, van de WW. Het Uwv was daarom niet bevoegd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

4.7.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.P.W. Jongbloed

VC