Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
17/7238 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Bezit van vermogen boven de vermogensgrens is niet gemeld. Bij melding is meegedeeld dat appellant stage gaat lopen betekent niet dat voldaan is aan de inlichtingenverplichting. Op het aanvraagformulier en ook daarna heeft appellant geen melding gemaakt van stage. Opgave in het kader van de Bbz 2004 ontslaat hem niet van de verplichting om in het kader van WWB/PW inlichtingen te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7238 PW

Datum uitspraak: 19 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 september 2017, 17/624 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Singh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Singh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Eerens en I. Bouquet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 maart 2000 tot en met 9 maart 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft de bijstand per 10 maart 2014 ingetrokken omdat appellant niet wilde meewerken aan een huisbezoek. Tijdens een telefonisch spreekuur van de gemeente Haarlemmermeer op 7 mei 2014 heeft appellant meegedeeld dat hij opnieuw bijstand wil aanvragen en dat hij twee à drie dagen stage gaat lopen bij [naam bedrijf] in [gemeente] . Op 8 mei 2014 heeft appellant digitaal een aanvraag om bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant te kennen gegeven dat hij niet kan werken door hernia’s en andere fysieke en psychische problemen en dat hij niet over vermogen beschikt. Op

20 mei 2014 heeft appellant een gesprek gehad met een klantmanager over zijn aanvraag. Het college heeft appellant bijstand toegekend met ingang van 8 mei 2014. Het college heeft de bijstand per 2 mei 2016 beëindigd omdat appellant werk had aanvaard.

1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellant op 28 april 2014,

6 september 2014 en 15 november 2014 werkzaamheden heeft verricht bij [naam bedrijf] , hebben twee handhavingsspecialisten van de gemeente Haarlemmermeer (handhavingsspecialisten) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De Koninklijke Marechaussee heeft lopende het onderzoek gegevens bij de gemeente Haarlemmermeer opgevraagd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar appellant. De officier van justitie heeft toestemming verleend om de informatie van het strafrechtelijk onderzoek te delen met de handhavingsspecialisten. De handhavingsspecialisten hebben daarnaast dossieronderzoek gedaan en onder meer op

15 en 18 februari 2016 gesprekken gevoerd met appellant. In deze gesprekken is gesproken over een door appellant verkocht huis in [land 1] waarover hij ten overstaan van twee medewerkers van de Koninklijke Marechaussee op 11 februari 2015 en 8 april 2015 heeft verklaard. Appellant heeft ten overstaan van de handhavingsspecialisten verklaard in 2013 een bedrag van € 12.000,- te hebben gekregen na de verkoop van een familiehuis in [land 2] . De bevindingen van het onderzoek, inclusief de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, zijn neergelegd in een rapport rechtmatigheidsonderzoek van 11 juli 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 22 september 2016, na bezwaar en met verbetering van de motivering gehandhaafd bij besluit van 23 december 2016 (bestreden besluit), de bijstand in te trekken over de perioden van

1 maart 2013 tot en met 30 september 2013 (periode 1) en van 8 mei 2014 tot en met

31 maart 2015 (periode 2) en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.181,13 van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant in periode 1 heeft beschikt over een vermogen boven de grens van het voor hem geldende vrij te laten vermogen en dat appellant in periode 2 op geld waardeerbare werkzaamheden als kapper heeft verricht. Van zowel het vermogen als de kapperswerkzaamheden heeft appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college als gevolg waarvan het recht op bijstand in beide periodes niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant heeft een bedrag van € 12.000,- van zijn familie ontvangen voor het opzetten van een kapperszaak. Dit bedrag was slechts tijdelijk bijgeschreven zodat er geen toename was van zijn vermogen. Hij heeft het bedrag aan zijn familie teruggegeven toen het opzetten van een kapperszaak niet doorging. Het geld was niet van hem maar van zijn familie. Het werk als kapper betrof een stage waarvan hij bij het college melding heeft gemaakt. Hij heeft voor deze stage niets of nauwelijks iets ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Periode 1: vermogen

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant een bedrag van € 12.000,- heeft ontvangen. Het geschil is beperkt tot het antwoord op de vraag of hij in periode 1 over dit geld kon beschikken. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat het onder 3 genoemde bedrag van € 12.000,- op de rekening van zijn dochter is bijgeschreven. Zij heeft dit bedrag in maart 2013 opgenomen en contant aan appellant gegeven. Appellant heeft vervolgens dit bedrag in 2014 meegegeven aan een vriend die het geld heeft teruggegeven aan de broer van appellant die in [land 1] woont.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat appellant in periode 1 heeft beschikt over het bedrag van € 12.000,-. Zijn stelling dat het geld niet van hem was maar van zijn broer, heeft appellant ook in hoger beroep niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Periode 2: werkzaamheden als kapper

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in periode 2 werkzaamheden als kapper heeft verricht. Het geschil is beperkt tot het antwoord op de vraag of enerzijds sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden omdat het een stage betrof en anderzijds of appellant het college over deze werkzaamheden heeft geïnformeerd.

4.4.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646), overwogen dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.5.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat appellant zijn werkzaamheden en eventuele inkomsten daaruit, anders dan appellant stelt, niet aan het college heeft gemeld. Weliswaar heeft appellant in het kader van een telefonische spreekuur op 7 mei 2014 voorafgaand aan het indienen van de aanvraag aan een medewerker van de gemeente verteld dat hij stage gaat lopen bij [naam bedrijf] , maar in de op 8 mei 2014 digitaal ingediende schriftelijke aanvraag om bijstand heeft hij hiervan geen melding gemaakt. Wel heeft appellant toen gemeld dat hij door hernia’s en andere fysieke en psychische problemen niet kan werken. Ook in het gesprek met de klantmanager op 20 mei 2014 heeft appellant geen melding gemaakt van de stage. Evenmin blijkt uit de gedingstukken dat appellant naderhand alsnog melding daarvan heeft gemaakt. Het feit dat appellant al in 2013 in het kader van een aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 melding heeft gemaakt van een stage, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, ontslaat hem niet van de inlichtingenverplichting die op grond van de WWB en de Participatiewet op hem rustte.

Conclusie

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J. Tuit

md