Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
17/7050 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7050 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2017, 17/521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Zitting heeft: Y.J. Klik als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: S.H.H. Slaats

Namens appellante is mr. E.T. van Dalen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Veen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690), wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362). Deze rechtspraak heeft onder de Participatiewet zijn gelding behouden.

Appellante moet als aanvrager aannemelijk maken dat zich omstandigheden hebben voorgedaan als hiervoor bedoeld. Appellante heeft aangevoerd dat zij op 14 juni 2016 een aanvraagformulier heeft ingevuld en ondertekend en niet heeft afgezien van het doen van een aanvraag. Appellante vermoedt dat het aanvraagformulier wegens een communicatiestoornis na afloop van het gesprek van 14 juni 2016 is vernietigd. De beroepsgronden van appellante slagen niet.

Allereerst staat vast dat zich bij de gedingstukken geen aanvraagformulier bevindt. In de bezwaarfase is appellante in de gelegenheid gesteld een kopie van het aanvraagformulier, dat volgens haar bij [organisatie] lag, aldaar op te halen en vervolgens aan het college te overleggen. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen kopie van het aanvraagformulier meer beschikbaar was. Appellante heeft deze stelling niet met een verklaring van de [organisatie] onderbouwd en evenmin een verklaring overgelegd van de medewerker van de [organisatie] die bij het gesprek op 14 juni 2016 aanwezig was. Ook heeft zij, hoewel zij zich daarop heeft beraden, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de betrokken medewerker als getuige mee te nemen naar de zitting. Verder blijkt niet dat appellante nog navraag heeft gedaan naar de afhandeling van de aanvraag die zij dacht te hebben ingediend.

De Raad ziet voorts met de rechtbank en het college geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de verklaringen van de consulent over de inhoud en het verloop van het gesprek met appellante op 14 juni 2016, als neergelegd in het Rapport Juridische Zaken van 22 november 2016. Dat appellante tijdens het gesprek van 14 juni 2016 heeft geïnformeerd naar de mogelijkheid om in aanmerking te kunnen komen voor bijstand en dat met haar aan de hand van haar persoonlijke situatie is doorgesproken onder welke voorwaarden zij voor bijstandverlening in aanmerking zou kunnen komen, betekent niet dat daartoe reeds een melding is gedaan of een aanvraag is ingediend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens of na dat gesprek is afgehouden van het doen van een bijstandsaanvraag.

In dit geval heeft appellante dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot toekenning van bijstand met ingang van een datum gelegen voor 1 augustus 2016.

Dit betekent dat het college aan appellante terecht niet eerder dan met ingang van 1 augustus 2016 bijstand heeft verleend.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) Y.J. Klik

LO