Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
17/7797 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag voor bepaalde periode. Lening van de broer overtreft de toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7797 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 november 2017, 17/3010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Steenbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens appellant is verschenen mr. Steenbergen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. P. Neeleman en S. Lens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 24 augustus 2016 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hij heeft de aanvraag op 3 november 2016 ingediend.

1.2.

Uit de door appellant bij zijn aanvraag overgelegde gegevens is onder meer naar voren gekomen dat appellant, samen met zijn 11-jarige zoon, sinds 19 augustus 2016 in [gemeente] verbleef op een hotelkamer, waarvan de kosten € 500,- per maand bedroegen, dat appellant een auto, een Mini Cooper uit 2003, in bruikleen heeft gekregen van zijn neef en dat deze neef aan appellant contante bedragen heeft geleend tot een totaalbedrag van € 5.000,- voor de betaling van huur en kosten van levensonderhoud.

1.3.

Bij besluit van 10 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van 17 oktober 2016 bijstand toegekend en de aanvraag afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de periode van 24 augustus 2016 tot 17 oktober 2016 (periode in geding). Aan het bestreden besluit heeft het dagelijkse bestuur, onder verwijzing naar de uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 (uitspraak 1), van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872 (uitspraak 2), en van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188 (uitspraak 3), het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft in de periode in geding in totaal € 4.320,- van zijn neef geleend. Aangezien appellant in deze periode, gelet op de voor hem toepasselijke bijstandsnorm, recht zou hebben gehad op bijstand tot een bedrag van in totaal € 1.733,66, moet van het door appellant ontvangen bedrag een bedrag van € 2.586,34 - zijnde het verschilt tussen € 4.320,- en € 1.733,66 - tot zijn inkomen worden gerekend. Gelet hierop heeft appellant in de periode in geding geen recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak 1) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen (uitspraak 2). Indien een betrokkene in een situatie als hiervoor bedoeld als lening voor levensonderhoud een bedrag ontvangt dat hoger is dan de voor hem toepasselijke bijstandsnorm, zal het ontvangen bedrag, voor zover het die norm overschrijdt, tot diens inkomen gerekend moeten worden en heeft hij in zoverre geen recht op bijstand (uitspraak 3).

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding in totaal € 4.320,- heeft ontvangen van zijn neef en ook niet dat appellant in die periode ter voorziening in zijn levensonderhoud was aangewezen op het aangaan van leningen. Evenmin is in geschil dat appellant in de periode in geding recht had op bijstand tot een bedrag van in totaal € 1.733,66.

4.3.

Appellant heeft, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Het dagelijks bestuur heeft het geleende geld ten onrechte afgezet tegen de voor appellant geldende bijstandsnorm. Met die norm kan appellant namelijk niet in zijn levensonderhoud en dat van zijn kind voorzien. Bij de bijstandsnorm moeten daarom worden opgeteld de bedragen aan huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget waarop appellant recht had, maar die hij is misgelopen. Als de bijstandsnorm met deze bedragen wordt verhoogd, had hij recht op in totaal € 1.678,87 per maand. Als dat bedrag wordt afgezet tegen het geleende bedrag van zijn neef, wordt de bijstandsnorm niet overschreden en resteert geen bedrag dat tot het inkomen van appellant moet worden gerekend. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur ten onrechte geen rekening gehouden met de extra kosten van appellant als gevolg van zijn verblijf in een hotel.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De PW biedt geen grondslag voor de stelling van appellant dat bij de beoordeling of de geleende bedragen van zijn neef al dan niet in de weg staan aan het recht op bijstand, de voor hem in aanmerking te nemen bijstandsnorm wordt verhoogd met - naar appellant stelt - misgelopen bedragen aan huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Evenmin biedt de PW een grondslag om bij die beoordeling rekening te houden met de extra kosten die appellant moest maken door het wonen in een hotelkamer.

4.5.

Uitgaande van de onder 4.2 genoemde bedragen heeft het dagelijks bestuur, in lijn met uitspraak 3, zich terecht op het standpunt gesteld dat een bedrag van in totaal € 2.586,34 tot het inkomen van appellant moet worden gerekend en dat appellant daarom in de periode in geding geen recht op bijstand had.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) Y. Itkal

md