Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:90

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
17/1339 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:10010, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling moet, anders dan de rechtbank heeft gedaan, een onderscheid worden gemaakt tussen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2. Boordeling van beide besluiten. Bestreden besluit 1 moet als onrechtmatig worden aangemerkt. Op besluit 2 artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb toegepast. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep, op basis van de door appellant aangevoerde gronden en ingediende informatie van de behandelend dermatoloog het dossier van appellant nogmaals bestudeerd en de FML van 10 december 2015 op een aantal aspecten aangepast. Er is geen onderbouwing voor het standpunt van appellant dat hij meer, dan wel verdergaande beperkingen heeft dan de beperkingen die in de laatste FML zijn opgenomen Geen twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding 6 februari 2016. De geselecteerde voorbeeldfuncties zijn ook medisch geschikt voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1339 ZW

Datum uitspraak: 3 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 december 2016, 16/946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als asfaltwerker. Op 22 september 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten en huidklachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 30 juli 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 79,42% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 11 september 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 22 oktober 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 januari 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Hangende het door appellant ingestelde beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar van 1 april 2016 genomen (bestreden besluit 2) inhoudende dat vanaf 22 oktober 2015 ongewijzigd ziekengeld wordt betaald en dat pas met ingang van

6 februari 2016 geen recht meer bestaat op ziekengeld. Het Uwv heeft de rechtbank verzocht bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling te betrekken.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:19 van de Awb vastgesteld dat met bestreden besluit 2 alleen de in bestreden besluit 1 neergelegde beëindigingsdatum van 22 oktober 2015 is gewijzigd naar 6 februari 2016 en dat voor het overige bestreden besluit 1 in stand is gebleven. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant belang heeft bij een oordeel over “het bestreden besluit”, zonder daarbij te preciseren wat zij daarbij als zodanig heeft aangemerkt.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen “het bestreden besluit” ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft onderbouwd het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven de juistheid van het medisch oordeel van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet met concrete en verifieerbare informatie onderbouwd dat zijn medische situatie verkeerd is ingeschat. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellant passend zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant samengevat aangevoerd dat zijn psychische beperkingen, met name op het gebied van sociaal functioneren, zijn onderschat. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de artsen van het Uwv onvoldoende beperkingen hebben aangenomen vanwege zijn ernstige eczeemklachten. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om met katoenen handschoenen aan te werken en dat om die reden alleen al de geselecteerde functies niet passend zijn. Ter motivering heeft appellant informatie van de behandelend dermatoloog ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 november 2018 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van gelijke datum, zich op het standpunt gesteld dat de aan de beoordeling ten grondslag gelegde FML aanscherping behoeft. Uitgaande van de aangescherpte FML van 21 november 2018 resteren er voldoende functies waarmee appellant in staat kan worden geacht om een inkomen te verdienen van meer dan 65% van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beoordeling moet, anders dan de rechtbank heeft gedaan, een onderscheid worden gemaakt tussen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2. Beide besluiten moeten worden beoordeeld. Nu bestreden besluit 2 in de plaats komt van het niet gehandhaafde bestreden besluit 1, moet bestreden besluit 1 als onrechtmatig worden aangemerkt. Dat heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals bestreden besluit 1. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken, zodat de vraag moet worden beantwoord of het Uwv met juistheid heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 6 februari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.2.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep, op basis van de door appellant aangevoerde gronden en ingediende informatie van de behandelend dermatoloog, aanleiding gezien nogmaals het dossier van appellant te bestuderen. De hierdoor verkregen bevindingen zijn vervolgens, zo blijkt uit het rapport van 21 november 2018, aanleiding geweest om de eerder door een verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML van

10 december 2015 op een aantal aspecten aan te passen. Zo is appellant beperkt geacht ten aanzien van huidcontact. Daarbij is de toelichting opgenomen dat, conform de lijst van de behandelend dermatoloog, geen huidcontact met nikkel/kobalt, chromaat, epoxyharsen en rubber is toegestaan. Tevens dient contact met water en andere vochtige substanties vermeden te worden. In verband met het contacteczeem dient appellant, ter bescherming, katoenen handschoenen te dragen. Geen plastic of rubber handschoenen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om ten aanzien van het aspect handbelasting vast te stellen dat de hiervoor geldende beperkingen voor beide handen van appellant gelden.

4.4.

Op grond van de beschikbare gegevens is er geen onderbouwing voor het standpunt van appellant dat hij meer, dan wel verdergaande beperkingen heeft dan de beperkingen die in de laatste FML van 21 november 2018 zijn opgenomen en is geen twijfel ontstaan aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding 6 februari 2016.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de in hoger beroep aangepaste FML is er geen aanleiding voor de conclusie dat de functies, met uitzondering van de functie teeltmedewerker plantenkwekerij met SBC-code 111010, niet geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 29 december 2015 en

21 november 2018 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat deze functies daarom ook medisch geschikt voor hem zijn. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 21 november 2018 tevens inzichtelijk gemaakt dat het schrappen van de functie teeltmedewerker plantenkwekerij geen gevolgen heeft voor het loon dat appellant geacht kan worden te verdienen. De geschrapte functie was na de herbeoordeling in bezwaar namelijk de derde functie en deze is vervangen door de eerste reservefunctie, zodat de mediane loonwaarde gelijk is gebleven.

4.6.

Gelet hierop heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 6 februari 2016 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW.

5. Omdat eerst in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor bestreden besluit 2, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat het in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Omdat aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten.

6. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden bepaald op de kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 1.024,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.024,- en een bedrag van € 20,- aan reiskosten. In totaal komt een bedrag van € 2.068- voor vergoeding in aanmerking. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt bestreden besluit 1;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.068,-;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.A.E. Lageweg

RB