Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
17/5537 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Definitief vaststellen bijstand op grond van Bbz 2004. Berekening netto inkomen. Kosten borgstelling zijn kosten die buiten het bedrijf van appellant vallen. Deze kosten mogen niet ten laste van de bedrijfswinst en daarmee ten laste van het inkomen van het bedrijf worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5537 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 juni 2017, 16/1553 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant exploiteert sinds 5 september 2011 een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] ([eenmanszaak]), een organisatieadviesbureau. Naast zijn bedrijfsactiviteiten heeft appellant sinds 8 december 2011 een bestuursfunctie in de Coöperatie [naam coöperatie] (Coöperatie) vervuld. Appellant en de andere bestuurders van de Coöperatie hebben een borgstelling afgegeven ten behoeve van het aan de Coöperatie verstrekte krediet, waarvan de draagplicht voor appellant een bedrag van

€ 10.000,- bedraagt. De Coöperatie is in 2014 in staat van faillissement verklaard.

1.2.

Vanaf 25 juli 2013 ontving appellant bijstand in de kosten voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) in de vorm van een renteloze geldlening. Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het dagelijks bestuur aan de hand van de jaarstukken over 2013 het recht op bijstand van appellant over dat jaar definitief vastgesteld, wat heeft geresulteerd in een toekenning van bijstand om niet.

1.3.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag heeft het dagelijks bestuur aan appellant voor een tweede periode van zes maanden tot 25 juli 2014 opnieuw bijstand in de kosten voor levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 toegekend in de vorm van een renteloze geldlening.

1.4.

Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft het dagelijks bestuur aan de hand van de jaarstukken over 2014 het recht op bijstand van appellant over dat jaar definitief vastgesteld, wat heeft geresulteerd in toekenning van bijstand om niet tot een bedrag van € 442,80. Het dagelijks bestuur heeft bij hetzelfde besluit een bedrag van € 3.573,82 van appellant teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

1.5.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 29 maart 2016 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2015 gegrond verklaard omdat het bedrag aan over 2014 verstrekte bijstand voor levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 abusievelijk te hoog was vastgesteld. Het dagelijks bestuur heeft daarom het besluit van 27 oktober 2015 herzien en het bedrag van de terugvordering verlaagd en vastgesteld op een bedrag van € 3.198,37. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier nog van belang, ten grondslag dat de door appellant voor het jaar 2014 opgevoerde voorziening van € 10.000,- voor een mogelijke aansprakelijkstelling voor de in 1.1 genoemde borgstelling een privé-vordering betreft, geen verband houdt met het bedrijf [eenmanszaak]. Om die reden kan de voorziening niet in mindering worden gebracht op het netto-bedrijfsresultaat over 2014. De totale in aanmerking te nemen inkomsten uit het bedrijf bedragen dan € 19.591,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van het Bbz 2004 heeft de algemene bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Op grond van het tweede lid wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige de van toepassing zijnde grens van artikel 3 niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

4.1.2.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van het Bbz 2004 neemt het college een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 11, eerste lid, nadat het college het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld.

In het tweede lid is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen:

a. minder is dan de jaarnorm, ambtshalve voor het verschil bijstand wordt verleend, met dien verstaande dat de totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend,

b. gelijk is aan de jaarnorm, de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;

c. meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

4.1.3.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 wordt onder netto-inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de Participatieweg (PW), met toepassing van artikel 6, tweede lid van het Bbz 2004.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of het dagelijks bestuur het netto-inkomen van appellant juist heeft vastgesteld, meer specifiek of bij die vaststelling rekening had moeten worden gehouden met de door appellant getroffen voorziening voor de mogelijke aansprakelijkstelling voor de door hem afgegeven borgstelling.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3332 en 1 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1073) moet voor de berekening van het netto-inkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat, de nettowinst, van de onderneming en kan van dit uitgangspunt worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.4.

Uit de in 4.3 genoemde uitspraak van 1 april 2014 en de uitspraken van 30 mei 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1498 en 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2499 volgt dat privékosten niet ten laste van de bedrijfswinst mogen worden gebracht.

4.5.

Vaststaat dat appellant de borgstelling niet in de uitoefening van het bedrijf [eenmanszaak] heeft afgegeven. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij een betalingsregeling ter voldoening van de door hem afgegeven borgstelling is overeengekomen en dat [eenmanszaak] niet is aangesproken op de door appellant afgegeven borgstelling. Anders dan appellant betoogt, volgt uit de door de rechtbank genoemde uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3839, niet dat - nu in beginsel met alle in het met het kalenderjaar samenvallende boekjaar verworven inkomsten rekening moet worden gehouden - ook met alle kosten in het betreffende boekjaar rekening moet worden gehouden. Kosten zijn immers niet van invloed op het inkomensbegrip in de zin van de PW. Kosten die zijn gemaakt in de uitoefening van het bedrijf kunnen van invloed zijn op de bedrijfswinst en daarmee het inkomen uit het bedrijf. Kosten die geen betrekking hebben op het bedrijf, zoals de in 4.4. genoemde privékosten, mogen niet ten laste van de bedrijfswinst en daarmee het inkomen uit het bedrijf worden gebracht. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de voorziening in verband met de door appellant afgegeven borgstelling kosten zijn die buiten het bedrijf [eenmanszaak] vallen. Het betoog van appellant dat de aan de borgstelling gerelateerde activiteiten in het verlengde liggen van de activiteiten van het bedrijf [eenmanszaak], maakt niet dat dit ook kosten van [eenmanszaak] betreffen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L. Hagendijk

md