Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
17/7384 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onterechte herziening AOW-pensioen: wel duurzaam gescheiden levend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7384 AOW

Datum uitspraak: 7 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2017, 17/5108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt een verweerschrift in te dienen. Wel is een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens‑Hanssen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. L. van Dijk, procesjurist.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is op 23 september 1965 gehuwd met de heer [naam echtgenoot], geboren [in] 1939 (echtgenoot). Op haar aanvraag voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft betrokkene vermeld dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Aan betrokkene is met ingang van juli 2008 een ouderdomspensioen toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

1.2.

In het kader van een steekproef heeft de Svb in januari 2017 een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van betrokkene. Hieruit is gebleken dat betrokkene sinds 1984 gescheiden leeft van haar echtgenoot en dat zij sinds 31 juli 1985 zijn gescheiden van tafel en bed. Betrokkene eet twee maal per week samen met haar echtgenoot en zijn mantelzorger. Betrokkene draagt alle kosten voor het eten. De echtgenoot gaat ongeveer zeven keer per jaar met betrokkene mee op familiebezoek, waarbij de mantelzorger rijdt. Betrokkene en haar echtgenoot bezitten samen een vakantiehuisje. De echtgenoot betaalt de erfpacht van het vakantiehuisje en betrokkene betaalt de overige kosten. In de zomerperiode verblijft betrokkene dagelijks in de vakantiewoning. Haar echtgenoot komt dan, samen met de mantelzorger, gemiddeld drie keer per week langs. Betrokkene en haar echtgenoot overnachten niet bij elkaar.

1.3.

Bij besluit van 9 maart 2017 heeft de Svb het ouderdomspensioen van betrokkene met ingang van 1 maart 2017 herzien naar de norm voor een gehuwde, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het bezwaar hiertegen is bij het bestreden besluit van 28 juli 2017 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft bepaald dat betrokkene ook vanaf 1 maart 2017 recht heeft op een AOW‑pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Gezien alle feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in elk geval op 1 februari 2017 sprake was van een duurzaam gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waarbij betrokkene haar eigen leven leidt als ware zij niet met haar echtgenoot gehuwd, en deze toestand door haar als bestendig is bedoeld.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Appellant heeft daartoe gesteld dat het contact tussen betrokkene en haar echtgenoot frequent is en geen zakelijk karakter heeft. Uit de contacten blijkt dat sprake is van zorg. Dat de mantelzorger bij deze contacten aanwezig is, doet volgens appellant daar niet aan af. Appellant hecht verder, zoals ter zitting nader is toegelicht, sterk aan het gezamenlijk bezit van het vakantiehuisje, waaruit een financiële verstrengeling zou blijken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of op 1 maart 2017 sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden leven van betrokkene en haar echtgenoot.

4.2.

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad en de Hoge Raad is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

4.3.

Voldoende aannemelijk is dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving die als bestendig is bedoeld. Geoordeeld wordt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in de AOW.

4.4.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene en haar echtgenoot na de scheiding van tafel en bed in 1985 ieder een eigen leven is gaan leiden, als ware hij niet met de ander gehuwd. Zij hadden geen sleutel meer van elkaars woning en gingen niet meer samen op vakantie. Het enige contact dat betrokkene met haar echtgenoot had was in verband met de kinderen en het bezit van het gezamenlijke vakantiehuisje. Van een boedelscheiding is het nooit gekomen. Betrokkene heeft haar echtgenoot om een echtscheiding gevraagd, maar haar echtgenoot wilde daaraan niet meewerken wegens de hoge kosten van de procedure. Daarna heeft betrokkene het zo gelaten. Het vakantiehuisje is daarom gezamenlijk bezit gebleven. Hierover hebben betrokkene en haar echtgenoot nooit duidelijke afspraken gemaakt. Betrokkene heeft in de periode van 2009 tot 2015 in het geheel geen contact gehad met haar echtgenoot. In 2015 werd duidelijk dat de echtgenoot zichzelf en zijn woning ernstig verwaarloosde. Zijn geestelijke gezondheid is toen snel verslechterd en om die reden is de zwager van betrokkene als mantelzorger bij de echtgenoot betrokken geraakt. Vanaf die tijd is er weer contact ontstaan tussen betrokkene en haar echtgenoot, in die zin dat betrokkene twee maal per week met hem eet in het bijzijn van de mantelzorger. Betrokkene is deze rol gaan vervullen uit plichtsbesef jegens haar kinderen om zo verdere verslechtering van de gezondheidstoestand van haar echtgenoot tegen te gaan. Voor zover betrokkene al contact heeft met haar echtgenoot, speelt de mantelzorger daarin een grote rol.

4.5.

Op basis van het geheel van de feiten en omstandigheden acht de Raad aannemelijk dat in de periode van 1985 tot 2015 sprake is geweest van een situatie van duurzaam gescheiden leven. De enkele financiële band die nog tussen betrokkene en haar echtgenoot bestond werd min of meer noodgedwongen voortgezet, omdat de echtgenoot weigerde mee te werken aan een echtscheiding. Het enige dat sindsdien tussen betrokkene en de echtgenoot is veranderd is de zorg die betrokkene voor haar echtgenoot op zich heeft genomen om verdere ontluistering te voorkomen. De Raad acht dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat de situatie tussen betrokkene en haar echtgenoot sindsdien zo wezenlijk is veranderd dat niet langer sprake is van duurzaam gescheiden leven. Om die reden wordt geoordeeld dat op 1 maart 2017 sprake was van duurzaam gescheiden leven van betrokkene en haar echtgenoot als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dit betekent dat betrokkene vanaf die datum recht heeft op voortzetting van haar ongehuwdenpensioen

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 768,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

6. Van de Svb wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 768,-;

  • -

    bepaalt dat van de Svb een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.P.W. Jongbloed

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

IJ