Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17/6307 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. Achteraf verkregen middelen. Erfenis. Schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6307 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 5 maart 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2017, 17/558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Stevers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stevers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Logan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 15 april 1988, met korte onderbrekingen in 1999, 2001 en 2011, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 24 augustus 2015 dat bij appellant mogelijk sprake is van een andere woonsituatie dan bij de gemeente Den Haag bekend en appellant mogelijk vermogen heeft in het buitenland, heeft een handhavingsspecialist, werkzaam bij de Dienst SZW, Afdeling Bijzonder onderzoek, van de gemeente Den Haag (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Tijdens het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de familie van appellant in de afwikkeling van een erfenis van de ouders van appellant zit en dat mogelijk sprake is van een erfenis ter grootte van € 1.200.000,-. De vader en moeder van appellant zijn op onderscheidenlijk 21 maart 2001 en 15 augustus 2003 overleden. Appellant heeft dit ten tijde van het overlijden niet doorgegeven.

1.3.

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 15 augustus 2003 tot en met 22 oktober 2015 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 125.562,44 van appellant teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant een beroep kan doen op een nalatenschap. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 15 maart 2016 heeft één van de broers van appellant het college in een telefonisch onderhoud meegedeeld dat de erfenis bestaat uit een erfenis in Nederland en een erfenis in Suriname. De erfenis in Nederland betreft de [onroerende zaken adres 1 en adres 2]

te Den Haag en deze zijn verkocht voor € 325.000,-. Het aandeel van appellant is € 36.111,11, maar daarop dienen successierechten en eventuele andere kosten nog in mindering te worden gebracht. De erfenis in Suriname is nog niet afgehandeld.

1.5.

Bij brief van 26 mei 2016 heeft appellant het college verzocht terug te komen van het besluit van 3 november 2015. Appellant heeft al de afgelopen jaren geen beroep kunnen doen op de nalatenschap. In zijn geval is daarom geen sprake van ten onrechte, of tot een te hoog bedrag verleende bijstand.

1.6.

Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft het college naar aanleiding van het verzoek om herziening, het besluit van 3 november 2015 gewijzigd, in die zin dat de einddatum van de al ingetrokken bijstand wordt veranderd in 13 mei 2007 en de hoogte van het terugvorderingsbedrag in € 36.100,31. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant gerechtigd is in een erfenis, waarvan vermogensbestanddelen zich zowel in Nederland als in Suriname bevinden. In Nederland heeft (gedeeltelijke) afwikkeling plaatsgevonden, als gevolg waarvan appellant over middelen beschikt, maar in Suriname nog niet, als gevolg waarvan appellant met betrekking tot die afwikkeling nog niet over middelen beschikt.

1.7.

Bij besluit van 12 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering wordt verlaagd naar € 22.103,64 over de periode van 15 augustus 2003 tot en met 29 december 2005. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat, rekening houdend met het bedrag dat appellant blijkens de afrekening van de notaris van 7 juli 2009 na aftrek van de kosten van de afwikkeling van de boedel heeft ontvangen, te weten € 30.767,74, alsook met zijn deel van het successierecht dat appellant op 9 juli 2010 heeft betaald, te weten € 8.642,55, de vordering moet worden vastgesteld op € 22.125,19. Dat bedrag leidt tot een terugvordering van € 22.103,64 vanaf de datum van het overlijden van de moeder van appellant op 15 augustus 2003 tot en met 29 december 2005. De taxatiekosten die appellant over de nalatenschap in Suriname heeft betaald heeft het college niet meegenomen omdat het vermogen uit het buitenland niet bij de terugvordering is betrokken. Ook de gestelde persoonlijke oude schulden aan de familieleden, c.q. de ouders van [X.] (X) ter hoogte van € 17.002,- heeft het college bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing niet meegenomen. Het college is er voorts vanuit gegaan dat appellant vanaf de datum van het overlijden van zijn moeder aanspraak kon maken op zijn erfdeel, ook al zijn de panden waar het om gaat pas in mei 2009 verkocht en op 30 juni 2009 geleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit, voor zover het ziet op de hoogte van het terug te vorderen bedrag, vernietigd, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 15.998,64. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht de door appellant gestelde schulden niet heeft meegenomen bij het vaststellen van diens eigen vermogen. Het college heeft echter ten onrechte geen rekening gehouden met het vrij te laten vermogen zoals dat gold in 2005, te weten € 5.105,-. De rechtbank heeft vervolgens zelf voorziend in de zaak de terugvordering met dit laatste bedrag verlaagd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de terugvordering tot het door haar bepaalde bedrag in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting is komen vast te staan dat het college de kosten van verleende bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellant heeft teruggevorderd.

4.2.

Aan artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498), welke rechtspraak onder de PW zijn gelding heeft behouden, ontstaat de aanspraak op een erfdeel - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (nu artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW) - op het tijdstip van overlijden van de erflater. De moeder van appellant is op 15 augustus 2003 overleden. Vanaf die datum kon appellant daarom aanspraak maken op zijn erfdeel.

4.4.

Vaststaat dat, bij de afwikkeling van de erfenis in Nederland, de notaris op verzoek van appellant op 24 juni 2010 zijn aandeel ten bedrage van € 30.772,18 rechtstreeks heeft overgeschreven naar de derdenrekening van een advocaat, die het bedrag vervolgens heeft overgemaakt naar de bankrekening van X, de vriendin van appellant. De beroepsgrond dat als gevolg hiervan dit bedrag achteraf niet aan het vermogen van appellant kan worden toegerekend omdat het nooit aan hem is uitgekeerd en hij daarom nooit daarover achteraf heeft kunnen beschikken, slaagt niet. Juist door de notaris op te dragen het bedrag niet naar een bankrekening van hemzelf, maar naar de derdenrekening van een advocaat over te maken, heeft appellant feitelijk achteraf beschikt over het bedrag.

4.5.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant het bestaan van schulden ten tijde in geding niet heeft aangetoond, slaagt evenmin. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij in het verleden financiële steun heeft ontvangen als bijdrage voor het oplossen van problemen door het verlies van zijn uitkering in 1985, maar hij heeft deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De ongedateerde verklaring van X, die appellant in bezwaar heeft overgelegd, is daartoe onvoldoende. Daarin heeft X onder meer verklaard dat in de periode van 1985 tot 1988 familieleden diverse keren geld aan appellant hebben geleend met een totaalbedrag van € 17.002,-. Dat appellant deze verklaring verder niet met bewijsstukken kan onderbouwen omdat de desbetreffende stukken indertijd bij de ontruiming van zijn ouderlijke woning verloren zijn gegaan, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening en risico van appellant komen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, had het op de weg van appellant gelegen om stukken die van belang zijn voor de beoordeling van zijn recht op bijstand, zelf in bewaring te houden. Ook met de in beroep overgelegde kwitantie van 10 januari 2017 met de vermelding: voor aflossing lening 2001-2005, heeft appellant de gestelde schulden niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat deze kwitantie achteraf is opgemaakt en evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Tuit

md