Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17/6273 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Inzage in de financiën van de stichting is relevant voor beoordeling recht. Verstrengeling zakelijke en privé belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6273 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 augustus 2017, 17/381 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Özsaran, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Flack, kantoorgenote van mr. Özsaran. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft in 2006 Stichting [naam stichting] (stichting) opgericht. De stichting biedt opvang en begeleiding aan kinderen onder de achttien jaar met de diagnose ADHD/ADD/PDD-NOS of aanverwante problematiek. De opvang en begeleiding wordt bekostigd uit pgb-gelden van de cliënten. In de periode van 1 april 1996 tot 30 april 2012 ontving appellante bijstand, waarbij in de periode na oprichting van de stichting afspraken golden over een voorbereidingsjaar als zelfstandige. In 2012 is appellante opnieuw aangemeld voor een voorbereidingsjaar als zelfstandige. Dit voorbereidingsjaar is in november 2013 afgesloten omdat geen sprake was van een levensvatbare onderneming.

1.2.

Sinds 1 november 2014 is appellante in dienst van de stichting als pedagogisch medewerkster voor minimaal 22 uur per maand. Tevens vormt zij tezamen met haar zoon het bestuur van de stichting. Appellante staat in het register van de Kamer van Koophandel geregistreerd als voorzitter van het bestuur, gezamenlijk bevoegd met de andere bestuurder.

1.3.

Op 23 februari 2016 heeft appellante zich gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Het college heeft appellante om nadere gegevens gevraagd. Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college een voorschot van € 1.000,- verstrekt. Het college heeft appellante op 14 juni 2016 nogmaals om nadere gegevens gevraagd. Daarbij ging het onder meer om boekhoudkundige gegevens van de stichting over 2016 die inzicht geven in de inkomsten en uitgaven, in het bijzonder de pgb-inkomsten van de stichting, en voor hoeveel kinderen pgb wordt ontvangen. Daarnaast heeft het college gevraagd om afschriften van de bankrekening(en) van de stichting over de afgelopen drie maanden. Appellante heeft de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn verstrekt.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de inlichtingenverplichting heeft nagelaten de gevraagde informatie over de stichting te verstrekken. Appellante was werkzaam als bestuurder en werknemer van de stichting. Daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.5.

Appellante heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 11 juli 2016 en heeft daarbij de jaarrekeningen van de stichting over 2014 en 2015 overgelegd. Bij besluit van 8 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij de motivering van de afwijzing gehandhaafd en als subsidiaire grondslag van de afwijzing toegevoegd dat appellante een zelfstandige is als bedoeld in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Ook om die reden komt haar geen bijstand ingevolge de PW toe.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat, met uitzondering van de door haar alsnog overgelegde jaarrekeningen over 2014 en 2015, de gevraagde gegevens niet noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Deze grond slaagt niet.

4.3.

Uit de beschikbare gegevens is gebleken dat de zorgpremie van appellante met ingang van 1 januari 2016 via de bankrekening van de stichting wordt betaald. Gelet hierop en op de vergaande zeggenschap van appellante in de stichting duidt dit op een verstrengeling van privé en zakelijke belangen, zodat inzage in de financiën van de stichting relevant is voor de beoordeling van het recht op bijstand. Dat het college hier in het kader van de eerdere aanvraag en toekenning van bijstand in de periode tot en met april 2012 niet om zou hebben gevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat appellante begin 2016 nog niet kon beschikken over de boekhoudkundige gegevens van het hele jaar 2016, zoals zij eveneens heeft aangevoerd, had haar niet hoeven beletten om de wel beschikbare gegevens, zoals bijvoorbeeld de bankafschriften, te verstrekken. Appellante heeft verder gesteld dat de zorgpremie slechts tijdelijk door de stichting is betaald, maar heeft dit niet nader met verifieerbare stukken onderbouwd.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij terecht heeft geweigerd om inzage te verstrekken in de pgb-inkomsten van de stichting en zich daarbij beroepen op de privacy van de cliënten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit de brief van 14 juni 2016 blijkt niet dat is gevraagd om persoonsgegevens van de cliënten van de stichting te verstrekken, hetgeen door het college tijdens de hoorzitting in bezwaar, zo volgt uit het verslag, uitdrukkelijk is bevestigd. Met de verstrekking van inzage in enkel de pgb-inkomsten van de stichting is de privacy van de cliënten niet in geding. Dat met het verstrekken van inzage in de bankafschriften van de stichting mogelijk ook persoonsgegevens van derden zichtbaar zijn voor het college, maakt niet dat appellante niet was gehouden deze inlichtingen te verstrekken. Daarbij is ook van belang, dat het college op grond van artikel 65 van de PW is gehouden vertrouwelijk met dergelijke gegevens om te gaan.

4.5.

Appellante heeft verder betoogd dat zij tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat zij onder voorwaarden alsnog bereid is om inzicht te geven in de financiële geldstromen van de stichting. Dit betoog treft geen doel. Het stond appellante vrij om na de hoorzitting alsnog inzicht te geven in de financiële gegevens van de stichting, doch heeft zij dit - ook in beroep en hoger beroep - nagelaten.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat, nu appellante de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden

vastgesteld. De beroepsgronden die betrekking hebben op de bij het bestreden besluit opgenomen subsidiaire afwijzingsgrond behoeven daarom geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) J.M.M. van Dalen

rh