Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17-2813 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1760, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte intrekking na opschorting. Niet aannemelijk gemaakt dat opschortingsbesluit is ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2813 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 maart 2017, 16/5846 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 26 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Namens appellant

is mr. Moghni verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, in aanvulling op een onvolledig ouderdomspensioen van de Svb, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek naar eventueel vermogen van appellant in Marokko heeft de Svb, laatstelijk bij brief van 28 januari 2016, appellant gevraagd om zijn CIN-nummer voor 1 maart 2016 door te geven. Dit heeft appellant nagelaten.

1.2.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW met ingang van 1 maart 2016 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld zijn CIN-nummer alsnog voor 17 maart 2016 door te geven. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij besluit van

21 maart 2016 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 maart 2016 ingetrokken.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 14 april 2016 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

3 maart 2016. Hij heeft daarbij vermeld dat hij geen afschrift van dit besluit als bijlage heeft meegestuurd omdat appellant “niet (meer) in het bezit van het besluit” is. Bij brief van 19 april 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2016.

1.4.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 3 maart 2016 en 21 maart 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant ontkent het besluit van 3 maart 2016 te hebben ontvangen zodat de Svb niet bevoegd was de AIO-invulling met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken of anderszins de gevraagde medewerking te verlenen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor appellant belastend besluit. Daarom dient de Svb aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan de vereisten voor uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking na opschorting, daaronder dat zij appellant tijdig van het opschortingsbesluit in kennis heeft gesteld.

4.3.

Niet in geschil is dat de Svb het onder 1.3 genoemde opschortingsbesluit niet door middel van een aangetekende brief aan appellant heeft verstuurd. Appellant heeft aangevoerd dat uit het bezwaarschrift van 14 april 2016 niet volgt, anders dan de Svb heeft gesteld, dat appellant het onder 1.3 genoemde opschortingsbesluit heeft ontvangen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423) is het in een dergelijke situatie in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De Svb is hierin niet geslaagd. In zijn uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2237, heeft de Raad overwogen (zie rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4) dat de wijze waarop de Svb zijn postverzending registreert en verzendt niet is aan te merken als een deugdelijke verzendadministratie. De Svb heeft desgevraagd de Raad laten weten dat in het onderhavige geval het opschortingsbesluit op dezelfde wijze is geregistreerd en verzonden als in de hiervoor vermelde uitspraak is omschreven. Dit betekent dat de Svb ook in deze zaak niet aannemelijk heeft gemaakt dat het opschortingsbesluit daadwerkelijk op 3 maart 2016 aan appellant is verzonden. Dit volgt ook niet uit de woorden “niet (meer)” in het bezwaarschrift tegen de opschorting. Ten tijde van de indiening van dit bezwaar had appellant het besluit tot intrekking na opschorting al ontvangen. In dit besluit heeft de Svb vermeld dat en op welke datum zij een besluit tot opschorting heeft genomen. De gemachtigde van appellant heeft verklaard de woorden “niet (meer)” voorzichtigheidshalve te hebben gebruikt, toen hij het bezwaarschift voor appellant opstelde en deze verklaarde niet over het opschortingsbesluit te beschikken. Daarom kan in deze geclausuleerde formulering geen erkenning van ontvangst worden gelezen.

4.5.

Gelet op 4.4 kan appellant niet worden tegengeworpen dat hij de bij het opschortingsbesluit gestelde termijn voor herstel van het geconstateerde verzuim ongebruikt heeft laten verstrijken. Het moet er voor worden gehouden dat appellant niet wist dat hij in verzuim was en dat hij om dit te herstellen voor 17 maart 2016 het CIN-nummer moest doorgeven. De Svb was dan ook niet bevoegd de AIO-aanvulling met toepassing van

artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 maart 2016 in te trekken.

4.6.

De rechtbank heeft wat onder 4.4 is overwegen niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dit besluit, voor zover het de intrekking betreft vernietigen wegens strijd met artikel 54, vierde lid, van de PW, en het besluit van 21 maart 2016 herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en eveneens € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 augustus 2016 voor zover het de intrekking betreft;

  • -

    herroept het besluit van 21 maart 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 augustus 2016;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

LO