Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17-4395 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Niet melden directeurschap van in Verenigd Koninkrijk gevestigde bedrijven. Aanvullend recht niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4395 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 mei 2017, 17/549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 5 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft vanaf 20 augustus 2014 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant stond in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente Groningen ingeschreven op het [adres] te [woonplaats]. Op 24 maart 2016 is het adres van appellant in de BRP in onderzoek gesteld. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant geregistreerd stond als directeur van een tweetal in Groot-Brittannië gevestigde bedrijven, te weten [naam bedrijf 1] (vanaf 8 januari 2015), en [naam bedrijf 2]

(vanaf 29 juni 2015). In verband hiermee heeft op 18 april 2016 een gesprek met appellant plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft appellant niet of nauwelijks inlichtingen over die bedrijven willen verstrekken. Over [naam bedrijf 1] heeft appellant expliciet geweigerd informatie te verschaffen. Vervolgens heeft het college appellant bij brief van 19 april 2016 onder meer verzocht vóór 26 april 2016 gegevens over te leggen, waaronder gegevens zoals de boekhouding, bankafschriften en vestigingsgegevens van de ondernemingen, alsook alle bankafschriften vanaf 1 januari 2015 van de bankrekening eindigend op *719, die op naam van zijn moeder stond. Op die rekening werd de bijstand van appellant maandelijks overgemaakt. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 1 juli 2016, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 8 januari 2015 ingetrokken. Tevens heeft het college de betaalde kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.899,54 teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij als directeur geregistreerd staat van twee in Groot-Brittannië gevestigde bedrijven. Appellant heeft geen controleerbare inlichtingen verstrekt over die bedrijven en evenmin de gevraagde en voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens overgelegd. Daarmee heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan ligt.

4.2.

Uit het onder 1.1 vermelde onderzoek blijkt dat in de te beoordelen periode, die loopt van 8 januari 2015 tot en met 1 juli 2016, appellant bij de Britse Kamer van Koophandel geregistreerd staat als directeur van twee bedrijven.

4.3.

Appellant betwist niet dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij als directeur van twee in Groot-Brittannië gevestigde bedrijven stond geregistreerd. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien daardoor niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Hierin is appellant niet geslaagd. Het college heeft naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen diverse gegevens bij appellant opgevraagd, waaronder de onder 1.1 genoemde bedrijfsgegevens en bankafschriften. Deze voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang zijnde gegevens heeft appellant, ondanks herhaalde verzoeken van het college, niet overgelegd. Appellant heeft geen duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie en zijn eventuele inkomsten en activiteiten als directeur van de twee bedrijven. Appellant heeft zijn stelling dat de bedrijven een slapend bestaan leidden en hij ondanks de schending van de inlichtingenverplichting recht op bijstand zou hebben gehad, ook in hoger beroep niet onderbouwd.

4.5.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

md