Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17-5541 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand voor vier brillen. Brillen had appellant al betaald ten tijde van de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5541 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 juni 2017, 16/9495 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 5 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Bulut-Yazir, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bulut-Yazir. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Drazenovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft bij brief van 8 mei 2016 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van vier brillen. Het gaat om een autorijbril van € 365,- en een leesbril van € 178,-, beide door appellant betaald op 21 januari 2016, een zonnebril van € 39,95, door appellant betaald op 29 februari 2016 en een dagelijkse bril van

€ 338,-, door appellant betaald op 26 maart 2016.

1.2.

Bij besluit van 7 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat ten tijde van de aanvraag al in de kosten was voorzien zodat ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW voor toekenning van bijzondere bijstand geen plaats is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de PW bestaat, kort weergegeven, recht op bijstand voor wie niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Voor de vaststelling of recht op bijzondere bijstand bestaat ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Vaststaat dat appellant op de datum waarop hij de aanvraag om bijzondere bijstand deed, 8 mei 2016, de vier brillen al had gekocht en betaald. Ten tijde van de aanvraag was dus al voorzien in de kosten van de brillen en deden die kosten zich niet meer voor. Dit betekent dat appellant gelet op artikel 35, eerste lid, van de PW, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de PW geen recht had op bijzondere bijstand voor deze kosten.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de brillen niet kon betalen uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm omdat hij in het geheel geen inkomen had. Deze beroepsgrond slaagt niet. Aan een beoordeling van de financiële draagkracht van appellant is het college terecht niet toegekomen, gelet op wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen. De stelling van appellant dat door de betaling van de brillen een schuld is ontstaan aan de bewindvoerder, doordat hij daarvoor gelden heeft aangewend die voor de bewindvoerder waren gereserveerd, behoeft dan ook geen bespreking. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant bovendien beaamd dat de gevraagde bijzondere bijstand dus eigenlijk is bedoeld om deze schuld af te lossen. Niet in geschil is dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW in de weg staat aan bijzondere bijstand voor de aflossing van deze schuld.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) V.Y. van Almelo

md