Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
17/4045 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hetgeen appellant in hoger beroep zeer summier heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Oordeel rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Volstaan wordt daarnaar te verwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4045 WAO

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 mei 2017, 16/7591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1990 naar Nederland gekomen en werkzaam geweest in de tuinbouw. Op 4 september 1996 is hij uitgevallen en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Op advies van zijn behandelend arts is hij voor herstel terug gegaan naar Marokko. De toegang tot Nederland werd hem geweigerd. In 2000 heeft hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Deze is bij besluit van 22 oktober 2001 geweigerd omdat hij op 3 september 1997 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingediend.

1.2.

In 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 22 oktober 2001 en die aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt en beroep en vervolgens hoger beroep ingesteld. Dit heeft geleid tot de uitspraak van de Raad waarin de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, is bevestigd.

1.3.

Appellant heeft daarna nog meerdere malen een (herhaalde) aanvraag ingediend. Deze zijn door het Uwv niet in behandeling genomen. Op 29 maart 2016 heeft appellant opnieuw verzocht hem een WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van
13 april 2016 afgewezen omdat appellant geen nieuwe informatie heeft verstrekt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 april 2016. Bij beslissing op bezwaar van 16 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – overwogen dat het Uwv terecht de aanvraag van appellant bij de heroverweging in bezwaar naar elke mogelijke strekking heeft opgevat. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Raad van 11 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:891). Het beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde, omdat er meer dan vijf jaar is verstreken sinds de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 15% in 2001. Het Uwv was verder bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvraag af te wijzen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht niet aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voor zover de aanvraag van appellant ook ziet op herziening voor de toekomst, is de rechtbank van oordeel dat hij zijn aanvraag, inhoudende het kale verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, niet deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd. Ook voor de toekomst hoefde het Uwv niet terug te komen van het besluit van 22 oktober 2001.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de beschikking van het Uwv onjuist is. Hij heeft alle medische verklaringen naar het Uwv verstuurd en is bereid aan een onderzoek mee te werken. Het Uwv heeft nagelaten contact op te nemen met de huisarts in Nederland. Zijn gezondheid is verslechterd. Hij verzoekt de beschikking van het Uwv te vernietigen en te bepalen dat het Uwv zijn aanvraag om een WAO-uitkering opnieuw dient te bestuderen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep zeer summier heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Volstaan wordt daarnaar te verwijzen.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

md