Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
16/3803 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3803 ZW

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 april 2016, 15/3723 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

Het onderzoek is ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op nader door appellant ingediende (medische) stukken, van welke gelegenheid het Uwv door het indienen van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep gebruik heeft gemaakt.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 31 januari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. van Gangelt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was in WSW-verband werkzaam als administratief medewerker voor 12 uur per week bij [naam werkvoorziening], toen hij zich op 21 januari 2015 voor dit werk ziek meldde met stressklachten, buikklachten en ontregelde diabetes. Het tijdelijk dienstverband is op 29 maart 2015 (op eigen verzoek) geëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Appellant heeft een aantal malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, laatstelijk op 3 september 2015. Deze arts heeft appellant per 4 september 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 september 2015 vastgesteld dat appellant per

4 september 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Van belang heeft de rechtbank geacht dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep eigen onderzoek hebben verricht en medische informatie van de behandelend sector in hun oordeel hebben betrokken. Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

8 maart 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische informatie die appellant in beroep heeft ingebracht geen nieuwe medische feiten bevat over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen medische informatie overgelegd op grond waarvan moet worden vermoed dat zijn beperkingen door de artsen van het Uwv zijn onderschat. De rechtbank heeft het standpunt van de artsen van het Uwv, dat appellant per datum in geding geschikt is voor het eigen werk, onderschreven en geoordeeld dat het Uwv appellant terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant – samengevat – een aanvullende onderbouwing gegeven voor zijn standpunt dat zijn eigen werk zwaarder is en meer stress geeft dan door het Uwv is aangenomen. Het Uwv heeft voorts miskend dat het bij appellant gaat om een minimale arbeidscapaciteit en dat appellant niet in staat is gebleken om in WSW-verband te werken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uitkering per 4 september 2015 is beëindigd terwijl de gezondheidssituatie van appellant niet is verbeterd. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de combinatie van zijn medische aandoeningen dermate ernstige beperkingen geeft in het functioneren dat deze evident niet meer met arbeid, ook niet in WSW-verband, te combineren zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant stukken ingediend waaruit blijkt dat hij vanaf maart 2017 geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer heeft en niet meer tot de doelgroep van de WSW behoort.

3.2.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad een werkomschrijving van de functie van administratief medewerker bij de stichting Relim laten opmaken door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Vervolgens heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 30 januari 2018 toegelicht waarom, uitgaande van de werkomschrijving, geen aanleiding wordt gezien om tot andere inzichten te komen. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 september 2018 gereageerd op de door appellant ingediende nadere stukken en gemotiveerd waarom ook hierin geen aanleiding wordt gezien een ander standpunt in te nemen. De Raad wordt verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Maatstaf arbeid

Uit de werkomschrijving die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in overleg met de voormalig werkcoach van appellant, heeft opgesteld blijkt dat appellant drie dagdelen per week vier uur per dag werkzaam was als administratief medewerker. Het werk bestond uit eenvoudige, lichte administratieve werkzaamheden die afwisselend konden worden uitgevoerd. Er was geen sprake van tempodruk, iedereen werkte naar eigen vermogen. Daarnaast was het werk niet fysiek belastend en kon appellant naar eigen inzicht vertreden. De door appellant, ook ter zitting, gegeven omschrijving van zijn werkzaamheden wijkt niet substantieel af van de informatie opgenomen in de werkomschrijving. Dat de omvang van de werkzaamheden wisselde doet hier niet aan af. Niet kan worden aangenomen dat het Uwv een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de belasting in het eigen werk van appellant.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen van de rechtbank op dit punt vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek en het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog nadere medische stukken overgelegd, die eerder waren toegezonden, maar niet door de Raad waren ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 28 september 2018 op goed te volgen wijze uiteengezet waarom deze informatie geen aanleiding geeft tot het innemen van een ander standpunt over de belastbaarheid van appellant op de datum hier in geding en de geschiktheid van appellant voor de laatst verrichte arbeid.

4.4.

Het Uwv heeft op goede gronden beslist dat appellant per 4 september 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) C.I. Heijkoop

md