Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:81

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
16/1927 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende aannemelijk is dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, die als bestendig is bedoeld. Geoordeeld wordt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval sprake is van duurzaam gescheiden leven, als bedoeld in de AOW. Tussen appellant en [naam 3] bestond enkel een financiële band. Die band is noodgedwongen voortgezet omdat verbreking ervan tot het faillissement van het bedrijf van appellant zou hebben geleid. Deze situatie deed zich ook al voor op de ingangsdatum van de AOW met toeslag van appellant. Het is aan de Svb te bepalen welke gevolgen hieraan verbonden worden. Nieuwe beslissing op het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/65 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1927 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 februari 2016, 15/5535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A. Rehorst hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is met ingang van 10 november 2012 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm van een gehuwde toegekend, evenals een toeslag voor zijn echtgenote. Op 1 december 2014 heeft appellant doorgegeven aan de Svb dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, [naam 3] , en samenwoont met zijn partner [naam partner] . Met een beslissing van 29 april 2015 heeft de Svb appellant laten weten dat hij niet als duurzaam gescheiden levend wordt aangemerkt en dat hij zijn

AOW-pensioen blijft ontvangen zoals hij gewend was. Het bezwaar hiertegen is in een beslissing van 14 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Gezien alle feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In geschil is de vraag of op 1 december 2014 sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven van appellant en [naam 3] . Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en

onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is volgens vaste rechtspraak van de Raad van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld.

3.2.

Appellant heeft, met drie afzonderlijke wijzigingsformulieren, aan de Svb gemeld dat hij per 1 december 2014 duurzaam gescheiden leeft van [naam 3] , dat hij vanaf die datum gaat samenwonen met [naam partner] en dat [naam partner] vanaf deze datum geen eigen inkomen meer heeft. Naar aanleiding van deze meldingen is door de Svb is een huisbezoek afgelegd op het adres van appellant en een handhavingsrapportage opgesteld. Uit de gegevens en de verklaring van appellant blijkt dat appellant en [naam partner] al vele jaren samenwonen in een woongedeelte van het bedrijfspand, achter de woning waarin [naam 3] woont. Appellant heeft verklaard dat hij sinds 1997 gescheiden leeft van zijn echtgenote, omdat met haar niet meer was samen te leven wegens haar alcoholisme. Hij voldoet alle kosten van zijn eigen woning en van de woning van [naam 3] . Daarnaast betaalt hij aan haar € 325,- per maand voor levensonderhoud. [naam 3] heeft zelf geen inkomsten en draagt financieel niet bij. Beide woningen hebben hetzelfde adres, maar zijn op geen enkele wijze met elkaar verbonden. Appellant heeft zo min mogelijk contact met [naam 3] . Dat hij en [naam 3] niet zijn gescheiden, is omdat hij anders zijn bedrijf had moeten verkopen en opgeven en dat wilde hij niet. Appellant en [naam 3] zijn destijds in gemeenschap van goederen getrouwd. De woning van [naam 3] en de bedrijfsgebouwen, waarin zich dus ook de woning van appellant bevindt, staan op beider naam, evenals de verzekeringen voor de gebouwen.

3.3.

De Svb hecht, naar blijkt uit de stukken en ter zitting nader is verklaard, sterk aan de financiële verstrengeling tussen appellant en [naam 3] . Ook hecht de Svb waarde aan de verklaring van appellant dat hij de gasflessen in het huis van [naam 3] verwisselt, en zo nodig klusjes in haar woning verricht. Volgens appellant is hij jaren geleden al gestopt met die klussen.

3.4.

Voldoende aannemelijk is dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, die als bestendig is bedoeld. Geoordeeld wordt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval sprake is van duurzaam gescheiden leven, als bedoeld in de AOW. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tussen appellant en [naam 3] enkel een financiële band bestond. Die band is noodgedwongen voortgezet omdat verbreking ervan tot het faillissement van het bedrijf van appellant zou hebben geleid.

3.5.

Geconstateerd moet worden dat deze situatie zich ook al voordeed op de ingangsdatum van de AOW met toeslag van appellant. Het is aan de Svb te bepalen welke gevolgen hieraan verbonden worden.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook vernietigd worden, evenals het bestreden besluit.

4. Er bestaat aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 september 2015;

  • -

    draagt de Svb op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en R.E. Bakker en

M.F.J.M. de Werd als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.R. Trox

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

LO