Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18/2901 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aangevallen uitspraak wordt tevens aangemerkt als een afwijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is geschonden door de rechtbank met 2 jaar en 8 maanden. Te betalen door de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2901 WIA

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2018, 14/1454 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft het Uwv bepaald dat de loongerelateerde

WGA-uitkering van appellant eindigt op 24 oktober 2013 en dat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 februari 2014 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.ier

1.3.

Op 8 augustus 2017 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarin is het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2013 alsnog gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 oktober 2013 vastgesteld op 100%.

1.4.

Bij brief van 21 november 2017 heeft appellant zijn beroep ingetrokken. Daarbij is verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten voor de door appellant ingeschakelde deskundigen. Tevens is verzocht om vergoeding van fiscale schade en een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met inachtneming van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Uwv in de proceskosten van appellant veroordeeld tot een bedrag van € 2.505,-.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de kosten van de ingeschakelde deskundigen en de schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Het Uwv heeft kenbaar gemaakt de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundigen te vergoeden en heeft daarbij ook een bedrag vastgesteld. Over de schadeclaim ten aanzien van de fiscale schade heeft het Uwv toegelicht dat deze in behandeling is genomen. Appellant heeft hier geen gronden tegen gericht. Het Uwv heeft onderschreven dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij stelt het Uwv zich op het standpunt dat, aangezien het Uwv binnen een half jaar heeft beslist op het bezwaarschrift, van een vergoeding te laste van het Uwv in ieder geval geen sprake kan zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank het Uwv heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant in bezwaar en in beroep, wordt tevens aangemerkt als een afwijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.2.

Het hoger beroep is, gelet op 3.2, nog slechts gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

4.3.

In een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechtbank daarover een oordeel te geven, uitgaande van de onder 4.2 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar. In dit geval is er geen aanleiding van deze termijn af te wijken. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 5 september 2013 tot de uitspraak van de rechtbank op

9 mei 2018 zijn 4 jaar, 8 maanden en 4 dagen verstreken. Daarbij is door het Uwv binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank. Nu de totale behandelingsduur 2 jaar mocht bedragen, is deze met 2 jaar en

8 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van zes maal € 500,-, dus

€ 3.000,-.

4.4.

Het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene leidt tot het oordeel dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant ten bedrage van € 3.000,-.

5. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 512,- (1 punt voor het hogerberoepschrift, ter hoogte van € 512,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over het verzoek van

appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag

van € 3.000,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 512,-;
- bepaalt dat de Staat aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

md