Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17/6374 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte dagloon. Geen herleving recht op WW-uitkering. Geen nieuw recht op WW-uitkering per 1 september 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6374 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 10 augustus 2017, 16/8996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 22 november 2017 heeft mr. Duijs zich als gemachtigde onttrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 18/3993 WW, 18/3994 WW,

18/3995 WW, 18/3996 WW en 18/3997 WW plaatsgevonden op 24 januari 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. De zaken zijn niet gevoegd. In elke zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 25 juni 2014 heeft het Uwv appellant per 16 juni 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 29 per week en een dagloon ter hoogte van

€ 100,52. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Vanaf 27 oktober 2014 heeft appellant in een wisselende omvang werkzaamheden verricht.

1.2.

Per 28 september 2015 is appellant bij [naam werkgever 1] ([werkgever 1]) werkzaamheden gaan verrichten voor 40 uur per week. Bij besluit van 28 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat de WW-uitkering van appellant per 28 september 2015 is geëindigd vanwege de hoogte van zijn inkomen uit de werkzaamheden bij [werkgever 1] dat meer dan 87,5% bedraagt van het maandloon van de WW-uitkering.

1.3.

Op 18 april 2016 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering aangevraagd.

1.4.

Bij besluit van 13 april 2016 (primair besluit 1) heeft het Uwv appellant per 11 april 2016 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op basis van een GAA van 42 per week en een dagloon ter hoogte van € 67,12. Daarnaast is het per 16 juni 2014 ontstane recht op WW‑uitkering herleefd per dezelfde datum. De herleefde WW-uitkering komt alleen tot uitbetaling voor zover het maandloon hoger is dan het maandloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op een WW-uitkering.

1.5.

Per 1 mei 2016 is appellant werkzaamheden gaan verrichten voor [naam werkgever 2] ([werkgever 2]). Per dezelfde datum is de WW-uitkering van appellant geëindigd omdat het bedrag aan inkomen uit deze werkzaamheden in mei 2016 meer dan 87,5% bedraagt van het maandloon van de WW-uitkering.

1.6.

Vanwege het eindigen van de werkzaamheden bij [werkgever 2] per 13 augustus 2016 heeft appellant op 10 augustus 2016 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd.

1.7.

Bij besluit van 19 augustus 2016 (primair besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering en het per 16 juni 2014 ontstane recht op WW‑uitkering zijn herleefd per 1 augustus 2016. Vermeld is daarbij dat het per 16 juni 2014 ontstane recht op WW-uitkering alleen tot uitbetaling komt voor zover het maandloon daarvan hoger is dan het maandloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op WW‑uitkering.

1.8.

Bij besluit van 9 september 2016 (primair besluit 3) heeft het Uwv op basis van nieuwe informatie vastgesteld dat appellant in de maand augustus 2016 een bedrag aan inkomen heeft ontvangen dat meer dan 87,5% bedraagt van het maandloon van de WW-uitkering. Gelet hierop heeft het Uwv primair besluit 2 ingetrokken. Het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering en het per 16 juni 2014 ontstane recht op WW-uitkering zijn herleefd per

1 september 2016. Het per 16 juni 2014 ontstane recht op WW-uitkering komt alleen tot uitbetaling voor zover het maandloon daarvan hoger is dan het maandloon van het per

11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering.

1.9.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 tot en met 3. Bij beslissing op bezwaar van 5 oktober 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard en het bezwaar van appellant tegen primair besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

1.10.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende het beroep heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2017 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen primair besluit 1 alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1476) het dagloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering opnieuw berekend op basis van de per 1 december 2016 van toepassing zijnde dagloonregels. Dit betekent dat de loondagen van de maanden in het refertejaar waarin appellant geen loon heeft genoten, niet worden meegenomen in de berekening van het dagloon. Het op deze manier berekende dagloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering is vastgesteld op € 81,48, per

1 juli 2016 geïndexeerd naar € 82,13. Dit dagloon heeft pas effect vanaf het moment dat het per 16 juni 2014 ontstane recht is geëindigd vanwege het verstrijken van de uitkeringsduur, dit is op 12 oktober 2016.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover daarbij niet is besloten over het dagloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering per 12 oktober 2016 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

2.2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van appellant niet is gericht tegen de niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 2. In geschil is uitsluitend of het dagloon van de WW-uitkering juist is vastgesteld en of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat per 1 september 2016 geen nieuw recht op WW-uitkering is ontstaan.

2.2.2.

Over het dagloon heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij bestreden besluit 2 het dagloon van het per 11 april 2016 ontstane recht per 12 oktober 2016 heeft vastgesteld in overeenstemming met het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat gold per

1 december 2016 (Stb. 2016, 390). De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat de maanden juni 2015 en september 2015 niet moeten worden meegenomen in de dagloonberekening omdat hij in deze maanden niet heeft gewerkt, niet gevolgd. Hiertoe heeft de rechtbank de stelling van het Uwv gevolgd dat het ervoor moet worden gehouden dat de Raad zich bij zijn in 1.10 genoemde uitspraak van 26 april 2017 gerealiseerd moet hebben dat een kleine betaling in een maand een dagloonverlagend effect kan hebben.

2.2.3.

Over de weigering van het Uwv om appellant per 1 september 2016 in aanmerking te brengen voor een nieuw recht op WW-uitkering heeft de rechtbank overwogen dat in de periode van 11 april 2016 tot 1 september 2016 nog geen 26 weken zijn verstreken. De weken die zijn meegeteld voor het per 11 april 2016 ontstane recht kunnen op grond van artikel 17a, tweede lid, van de WW niet opnieuw meetellen voor een nieuw recht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel van appellant heeft de rechtbank niet gehonoreerd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is geweest van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededelingen die bij appellant het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij per 1 september 2016 in aanmerking zou worden gebracht voor een nieuw recht op WW-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij het niet eens is met de hoogte van het dagloon van het per 11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering. Ook heeft appellant in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hem is toegezegd dat de hoogte van zijn

WW-uitkering per 1 september 2016 ongewijzigd zou blijven en dus niet lager zou worden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitnodiging voor de zitting van 24 januari 2019 is per abuis niet vermeld dat onderhavige zaak ook zou worden behandeld. Dit is echter alsnog gebeurd bij brief van 10 januari 2019. In deze brief is uitdrukkelijk vermeld dat ook de onderhavige zaak ter zitting van 24 januari 2019 zou worden behandeld.

4.2.

Voor de toepasselijket H

e wet- en regelgeving wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak worden artikel 2, eerste lid, artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat luidt per 1 juli 2015 (Stb. 2015, 152, Dagloonbesluit), nogmaals vermeld. Ook wordt artikel 5, zesde lid, van het Dagloonbesluit, zoals dit luidt per 1 december 2016 (Stb. 2016, 390) nogmaals vermeld.

4.2.1.

Volgens artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder referteperiode voor de WW in dit hoofdstuk verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

4.2.2.

In artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.2.3.

Artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover van belang, luidt als volgt:

Het dagloon van uitkeringen op grond van de WW is de uitkomst van de volgende berekening: [(A-B) x 108/100 + C] / D, waarbij:

(…)

D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft of indien artikel 2, vijfde lid, van toepassing is. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode.

4.2.4.

Artikel 5, zesde lid, van het Dagloonbesluit luidt met ingang van 1 december 2016, voor zover van belang, als volgt:

Indien de referteperiode voor de dagloonvaststelling van een reguliere WW-uitkering een of meer kalendermaanden kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof of werkstaking, dan staat D, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin loon is genoten of waarin geen loon is genoten vanwege verlof of werkstaking. (…)

Dagloon

4.3.

Niet in geschil is dat het refertejaar voor de berekening van het dagloon van het per

11 april 2016 ontstane recht op WW-uitkering loopt van 1 maart 2015 tot en met 29 februari 2016. Voor de berekening van het dagloon per 12 oktober 2016 heeft het Uwv de loondagen van de maanden juli 2015 en augustus 2015, in totaal (23 + 21 =) 44 dagen, buiten beschouwing gelaten omdat appellant in deze maanden geen loon heeft genoten. Over de maanden juni 2015 en september 2015 heeft appellant volgens de polisadministratie loon genoten. Gelet hierop heeft het Uwv op goede gronden de maanden juni 2015 en september 2015 niet buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het dagloon per 12 oktober 2016. De stelling van appellant dat hij in deze maanden niet heeft gewerkt en het loon daarom ten onrechte aan deze maanden is toegerekend door het Uwv, doet hier niet aan af. Voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak is de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst, zoals deze blijkt uit de polisadministratie, bepalend. Het Uwv is er dan ook terecht van uitgegaan dat appellant het loon heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2561) is deze toepassing van artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit juist en overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever.

4.4.

Uit de polisadministratie blijkt dat appellant in het refertejaar een bedrag van € 17.517,14 aan loon heeft genoten. In overeenstemming met artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit heeft het Uwv voor de berekening van het dagloon per 11 april 2016 het genoten loon gedeeld door 261 en het dagloon vastgesteld op € 67,12. Terecht heeft het Uwv de vraag onder ogen gezien of naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1476) een herberekening van het dagloon noodzakelijk was. Terecht heeft het Uwv die vraag bevestigend beantwoord en het dagloon per 12 oktober 2016 opnieuw berekend. Pas op die datum was de uitkeringsduur van het per 16 juni 2014 ontstane recht, met het hogere maandloon, geëindigd en zou de uitkering worden gebaseerd op uitsluitend het per 11 april 2016 ontstane recht met het lagere maandloon. Voor het dagloon per 12 oktober 2016 heeft het Uwv bij bestreden besluit 2, in overeenstemming met artikel 5, zesde lid, van het Dagloonbesluit, zoals dat luidt per 1 december 2016, het genoten loon gedeeld door (261 – 46 =) 215 dagen. Dit betekent dat het Uwv bij bestreden besluit 2 het dagloon van de WW-uitkering per 12 oktober 2016 terecht heeft vastgesteld op € 81,48.

4.5.

Dat de werking van artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit ongunstige gevolgen heeft voor appellant, biedt niet de mogelijkheid om ten aanzien van hem een ander dagloon vast te stellen. Het Dagloonbesluit biedt geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken.

Geen nieuw recht op WW-uitkering per 1 september 2016

4.6.

Over de weigering van het Uwv om appellant per 1 september 2016 in aanmerking te brengen voor een nieuw recht op WW-uitkering heeft appellant in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overweging 5 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J.R. Trox

VC