Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:80

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
15/6704 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nabestaandenuitkering per 1 februari 2014. De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Uitgaande van de juistheid van de FML als aangevuld door de deskundige moet appellante in staat worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige van het Uwv voor haar geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6704 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 augustus 2015, 14/7419 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend, vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Appellante heeft een rapport van de verzekeringsarts R.A. Hollander van 12 november 2016 overgelegd.

Desgevraagd heeft de Svb nog een nader stuk ingezonden en heeft appellante een aanvullend rapport van Hollander ingezonden.

Op verzoek van de Raad heeft de door de rechtbank ingeschakelde bedrijfs- en verzekeringsarts F.M. Brouwer bij rapport van 16 januari 2017 vragen beantwoord.

De door appellante ingeschakelde verzekeringsarts Hollander heeft op bedoeld rapport van Brouwer gereageerd.

Brouwer heeft desgevraagd op 26 juni 2017 nader geadviseerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na het overlijden van haar echtgenoot in november 2012 heeft de Svb appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend op de grond dat haar jongste kind tot haar huishouden behoorde en jonger was dan achttien jaar.

1.2.

Omdat het jongste kind van appellante [in] 2014 de leeftijd van achttien jaar bereikte, heeft de Svb bij besluit van 28 november 2013 de nabestaandenuitkering met ingang van 1 februari 2014 ingetrokken. Voorts heeft de Svb in dat besluit te kennen gegeven dat uit een onderzoek door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) blijkt dat appellante voor minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Zij krijgt daarom ook op die grond geen nabestaandenuitkering per 1 februari 2014.

1.3.

Bij besluit van 25 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2013 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat – gelet op het rapport van 19 maart 2015 van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Brouwer – appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de deskundige zijn conclusies op inzichtelijke en overtuigende wijze heeft onderbouwd. Weliswaar heeft de deskundige Brouwer appellante extra beperkt geacht voor afleiding door activiteiten van anderen en veelvuldige storingen en onderbrekingen, maar deze belastingen komen niet voor in de geselecteerde functies.

3.1.

Onder verwijzing naar in hoger beroep ingezonden rapporten van de verzekeringsarts Hollander stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank het oordeel van de deskundige Brouwer niet had mogen onderschrijven. Uit de in bezwaar, beroep en hoger beroep overgelegde rapporten van Hollander blijkt immers dat appellante meer beperkt is dan door Brouwer is aangenomen.

3.2.

De Svb heeft onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen van het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht de nabestaandenuitkering van appellante per 1 februari 2014 niet heeft voortgezet omdat zij met ingang van die datum minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Wettelijk kader

4.2.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak over het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

4.3.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.1.

Om meer inzicht te verkrijgen in de beperkingen van appellante heeft de rechtbank de onafhankelijke bedrijfs- en verzekeringsarts Brouwer als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. Die deskundige heeft in zijn rapport van 19 maart 2015 geconcludeerd dat hij zich uitsluitend wat betreft rubriek 1. Persoonlijk functioneren (vervallen punt 1.2; verdelen van aandacht en toevoegen 1.9.4; geen afleiding door activiteiten van anderen en 1.9.6; aangewezen op een voorspelbare werksituatie) niet kan verenigen met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2013. Zoals de rechtbank – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van deze Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN7969) – terecht overweegt, geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De in beroep en in hoger beroep door Brouwer uitgebrachte deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven die rapporten niet te volgen. De deskundige heeft in het rapport van 19 maart 2015 ook gemotiveerd uiteengezet dat appellante als gevolg van het bij haar bestaande chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) meer beperkt is dan door de Svb – op advies van het Uwv – is aangenomen en in de FML is vermeld. In verband met de in hoger beroep overgelegde rapporten van Hollander – waarin die verzekeringsarts concludeert dat appellante als gevolg van CVS meer beperkt is dan door de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Brouwer is aangenomen – heeft de Raad de deskundige Brouwer verzocht nader van advies te dienen. Bij rapport van 16 januari 2017, aangevuld bij rapport van 26 juni 2017, heeft de deskundige Brouwer aan dat verzoek voldaan en medegedeeld dat hij zijn in het rapport van

19 maart 2015 ingenomen standpunt handhaaft. De Raad heeft geen reden het oordeel van de onafhankelijke deskundige – nu deze in laatstgenoemde rapporten overtuigend en inzichtelijk de conclusies van Hollander weerlegt – niet te volgen. Het beroep dat appellante ter zitting heeft gedaan op het advies van de Gezondheidsraad omtrent de aard en ernst van CVS, leidt niet tot een ander oordeel. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (onder meer naar de uitspraak van 4 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2987) heeft de Raad al eerder overwogen dat bedoeld advies van de Gezondheidsraad van algemene aard is en het niet ingaat op de specifieke situatie van een betrokkene; in dit geval appellante. Voorts heeft de onafhankelijke bedrijfs- en verzekeringsarts Brouwer bij zijn beoordeling welke beperkingen voor appellante hebben te gelden, als uitgangspunt genomen dat bij appellante sprake is van een ernstige vorm van CVS en heeft hij daarbij passende beperkingen aangenomen. Ook meergenoemd advies biedt daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante niet juist zouden zijn vastgesteld.

4.3.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML als aangevuld door de deskundige Brouwer moet appellante in staat worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige van het Uwv voor haar geselecteerde functies te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de bezwaren van appellante ook op toereikende en uitgebreide wijze gemotiveerd dat de resterende geselecteerde functies in hun algemeenheid en ook in het licht van de in die functies voorkomende signaleringen in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.4.

Besluitvorming

4.4.1.

De overwegingen in 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van de Kade als voorzitter en R.E. Bakker en M.J.F.M. de Werd als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.

(getekend) M.M. van de Kade

(getekend) J.R. Trox

LO