Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
17/6769 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5651, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid. Gelet op de mediane loonwaarde van de in beroep geselecteerde functies, afgezet tegen het vastgestelde maatmaninkomen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de voor betrokkene op de datum in geding te bepalen mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 62,89% en dus op een hoger percentage dan waarop het bestreden besluit was gebaseerd. Het hogere arbeidsongeschiktheidspercentage houdt aldus een wijziging in van de rechtspositie van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6769 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2017, 15/1398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 7 maart 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft in reactie op een vraag van de Raad rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft op 18 september 2009 na een bedrijfsongeval zijn werkzaamheden als allround woningstoffeerder gestaakt wegens een verbrijzelingsbreuk aan de linkerenkel. Hij heeft daarvoor meerdere operaties ondergaan. Als gevolg van zijn klachten heeft betrokkene nadien rug- en knieklachten gekregen, waarvoor hij eveneens operaties heeft moeten ondergaan. Na einde van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Vanuit een werkloosheidssituatie heeft betrokkene zich op 10 oktober 2012 ziek gemeld wegens rugklachten met zenuwpijn, die uitstralen naar beide benen en wegens knie- en enkelklachten. Als gevolg van deze klachten heeft betrokkene psychische klachten gekregen. Naar aanleiding van een WIA-aanvraag heeft een medisch onderzoek door het Uwv plaatsgevonden, waarbij een verzekeringsarts betrokkene lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat betrokkene is aangewezen op enkel- en rugsparende arbeid. De beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juli 2014. Nadat een arbeidsdeskundige passende functies had geselecteerd tot het vervullen waarvan betrokkene in staat is geacht, heeft het Uwv bij besluit van 7 augustus 2014 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 8 oktober 2014 recht heeft op een WGA‑vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 60,67%.

1.3.

In bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2014 heeft betrokkene aangevoerd dat als gevolg van de forse pijnklachten door artrose in het bovenste en onderste spronggewricht van de linkerenkel en de rugklachten meer beperkingen moeten worden vastgesteld voor het lopen en staan (tijdens het werk). Ook de zenuwpijnen in de benen zijn onderschat. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en aansluitend aan de hoorzitting betrokkene medisch onderzocht. In een rapport van 22 januari 2015 heeft deze arts geconcludeerd dat er geen aanleiding is de FML aan te scherpen. Er zijn aanzienlijke beperkingen vastgesteld voor de dynamische en statische belasting. Omdat betrokkene normaal gevulde dagactiviteiten heeft, is er geen aanleiding voor een urenbeperking. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 28 januari 2015 vastgesteld dat één van de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies moet vervallen. Er resteren voldoende functies om de arbeidsongeschiktheidsschatting te kunnen dragen. Omdat zowel de mediane functie als de mediane loonwaarde van de geselecteerde functies niet wijzigt, blijft de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd 60,67%. Bij besluit van 29 januari 2015

(bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

7 augustus 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft een deskundige benoemd. De deskundige, orthopedisch chirurg

M. Bonnet, heeft op 14 september 2016 en aanvullend op 20 januari 2017 aan de rechtbank gerapporteerd dat betrokkene zowel aan de enkel als de rug beperkingen ondervindt. De deskundige heeft ingestemd met de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen voor de enkelklachten. Wat betreft de rugklachten heeft de deskundige geconcludeerd dat, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen SLR-test van de rug heeft verricht, er ergens tussen 31 januari 2014 en 16 september 2015 een recidief hernia is ontstaan. Niet valt uit te sluiten dat op 8 oktober 2014 dit recidief al was ontstaan, met als gevolg dat de rug toen niet dan wel zeer beperkt belastbaar kan zijn geweest. De deskundige gaat ervan uit dat op 8 oktober 2014 sprake was van een radiculaire prikkeling, waardoor belasting van de rug volledig vermeden moet worden. Wat de rug betreft acht de deskundige betrokkene verder beperkt dan vastgesteld door de verzekeringsartsen.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige op 9 maart 2017 de FML aangepast. Met de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat niet alle geselecteerde functies passend zijn. Van de vervallen functies resteren drie functies, inpakker (SBC-code 111190), samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en samensteller kunststof- en rubberindustrie, op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 62,89%. Dit heeft geen gevolgen voor de hoogte van de WGA-vervolguitkering omdat de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% gehandhaafd blijft.

2.3.

Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak, waarin is neergelegd dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering haar overtuigend voorkomt, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het oordeel van deskundige Bonnet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alle door de deskundige voorgestane wijzigingen voor de aspecten 5.5 en 5.6 in de FML van 9 maart 2017 overgenomen, omdat de deskundige heeft geconcludeerd dat belasting op deze aspecten niet mogelijk is. Evenmin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen vastgesteld op item 5.9 en 5.10, hoewel de deskundige dat wel nodig vindt. Dat in de functies op deze items geen belasting voorkomt laat onverlet dat de belastbaarheid op juiste wijze dient te worden vastgesteld. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alle door de deskundige voorgestelde wijzigingen in de FML van 9 maart 2017 heeft overgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de belastbaarheid van betrokkene niet juist is vastgesteld, waardoor ook niet vaststaat of de belastbaarheid van betrokkene in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van de uitspraak binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen .

3. Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat hij opnieuw, met inachtneming van de aangevallen uitspraak, op het bezwaar van betrokkene moet beslissen. Daartoe heeft appellant uiteengezet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaande van de FML-systematiek van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op juiste wijze in de FML van 9 maart 2017 heeft overgenomen. De conclusie van de deskundige dat betrokkene niet gehurkt en/of geknield actief kan zijn, heeft geen aanleiding gegeven om de beperkingen van betrokkene op de aspecten 5.5 en 5.6 bij te stellen omdat deze aspecten slechts twee mogelijkheden kennen: “normaal” of “beperkt”. Op deze items is al een beperking is gegeven. Voorts heeft appellant betoogd dat het geknield en/of gehurkt actief zijn in de geselecteerde functies niet voorkomt. Wat betreft de door de deskundige aangenomen noodzaak tot vertreden, heeft appellant uiteengezet dat op de aspecten 5.9 en 5.10 pas dan een beperking is aangewezen als sprake is van de noodzaak tot een specifieke afwisseling in houdingen. Omdat de deskundige deze nadere voorwaarden niet heeft gesteld, is er geen aanleiding voor het aannemen van verdergaande beperkingen op deze aspecten. De voor betrokkene geselecteerde functies voorzien in de mogelijkheid om van houding te wisselen. Met de urenbeperking van vier uur per dag en de vastgestelde beperkingen, is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de conclusies van de deskundige als ook aan de beperkingen van de rug en voet. De geselecteerde functies liggen in lijn met de belastbaarheid van betrokkene. Appellant heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep van betrokkene alsnog ongegrond te verklaren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in 3 vermelde uiteenzetting over wijze waarop het Uwv de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige heeft overgenomen is overtuigend en transparant. Voorop staat dat de verzekeringsarts op de aspecten 5.5 en 5.6 waarbij de keuze beperkt is tot de mogelijkheden “normaal” of “beperkt”, altijd een toelichting mag geven. Het enkele feit dat in dit geval in de FML geen nadere toelichting de bij de aspecten 5.5 en 5.6 is vermeld, betekent nog niet dat de belastbaarheid in de FML op onjuiste wijze is weergegeven. Uit de rapporten de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 maart 2017, 3 mei 2017, 29 juni 2017 en

18 juli 2018 blijkt dat hij de conclusies van de deskundige heeft onderkend en deze integraal heeft overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de conclusies van de deskundige in de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid zijn verdisconteerd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op basis van de aldus voor betrokkene op de datum in geding vastgestelde belastbaarheid beoordeeld of de geselecteerde functies gelet op de aangepaste belastbaarheid, nog passend zijn. Zoals blijkt uit het rapport van

18 mei 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daartoe overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Onder verwijzing naar de rapporten van 10 maart 2017, 18 mei 2017 en 24 oktober 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat drie van de zes geselecteerde functies onveranderd geschikt blijven voor betrokkene. In deze functies is geen sprake van geknield of gehurkt actief zijn en kan betrokkene naar eigen inzicht van houding verwisselen. Met de vastgestelde urenbeperking van vier uur per dag, gedurende twintig uur per week, is in voldoende mate gemotiveerd dat de functies passend zijn. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden vernietigd.

4.2.

Gelet op de mediane loonwaarde van de in beroep geselecteerde functies, afgezet tegen het vastgestelde maatmaninkomen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de voor betrokkene op de datum in geding te bepalen mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 62,89% en dus op een hoger percentage dan waarop het bestreden besluit was gebaseerd. Het hogere arbeidsongeschiktheidspercentage houdt aldus een wijziging in van de rechtspositie van betrokkene in. Dit heeft op grond van vaste rechtspraak van de Raad – gewezen wordt op de uitspraak van 30 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5080) – tot gevolg dat het besluit van 7 augustus 2014 moet worden herroepen. Omdat in de aangevallen uitspraak het beroep al gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd, wordt het besluit van 7 augustus 2014 herroepen voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 8 oktober 2014 op 60,67 % is vastgesteld. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt per die datum vastgesteld op 62,89%.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 7 augustus 2014 zoals in 4.2 is overwogen en bepaalt dat deze

uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

md