Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
17/6017 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgesloten van bijstand wegens verblijf in het buitenland. Geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan toch bijstand moet worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6017 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2017, 17/578 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Zitting heeft: M. Schoneveld

Griffier: E. Stumpel

Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R. Vermeer, advocaat, kantoorgenote van zijn gemachtigde, en G. Engels, tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.J.W. Bruinsma.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is op 15 september 2016 vertrokken voor een verblijf in Nigeria en is op 15 november 2016 in Nederland teruggekeerd.

2. Bij besluit van 18 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college appellant gedurende de periode van 16 oktober 2016 tot en met 14 november 2016 (periode in geding) uitgesloten van het recht op bijstand. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant langer dan de gebruikelijke vakantieduur van vier weken en langer dan de periode waarvoor hij toestemming had verkregen, buiten Nederland heeft verbleven. Op grond van artikel 13, aanhef, eerste lid en onder e, van de PW heeft appellant daarom gedurende de periode in geding geen recht op bijstand. Van zeer dringende redenen om niettemin bijstand te verlenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, is geen sprake. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college hem wegens zeer dringende redenen over de periode in geding toch bijstand had moeten verlenen. Appellant heeft daarvoor gesteld dat hij in Nigeria ziek is geworden en van 9 oktober 2016 tot

2 november 2016 in het ziekenhuis opgenomen is geweest, waarna hem door een arts nog bedrust is voorgeschreven tot 11 november 2016. Hierdoor is appellant niet in staat geweest naar Nederland terug te keren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant gewezen op de door hem in bezwaar overgelegde verklaring van dr. Ibe Okoronkwo van Federal Medical Centre in Imo State, Nigeria, van 2 november 2016 (medische verklaring). Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.1.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.2.

Zeer dringende redenen doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.3.

Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode in geding sprake was van zeer dringende redenen als hiervoor bedoeld. Uit de medische verklaring blijkt niet van een acute noodsituatie. Uit deze verklaring blijkt dat appellant een chirurgische ingreep heeft ondergaan en vervolgens met hulp van familie fysiotherapie heeft gevolgd tot het ontslag uit het medisch centrum op 2 november 2016. Uit de eigen verklaring van appellant volgt bovendien dat hij na het ontslag ook is geholpen door familie en bij familie heeft kunnen verblijven. Er was dan ook geen sprake van een acute noodsituatie waardoor appellant in behoeftige omstandigheden verkeerde op grond waarvan bijstandverlening volstrekt onvermijdelijk was, vergelijk de uitspraak van 17 januari 2012, ELCI:NL:CRVB:2012:BV1028.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) E. Stumpel (getekend) M. Schoneveld

md