Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
17/7197 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Appellant verbleef niet langer op uitkeringsadres. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7197 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 oktober 2017, 17/648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Zitting heeft: M. Schoneveld als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: E. Stumpel

Voor appellant is verschenen mr. R. Vermeer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 1 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant op grond van de Participatiewet (PW) ingetrokken met ingang van 20 juli 2016 en over de periode van 20 juli 2016 tot en met 31 augustus 2016 een bedrag van € 1.287,63 wegens onterecht verstrekte bijstand teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet langer verbleef op het door hem opgegeven adres (uitkeringsadres), zodat als gevolg van schending van de

inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet langer was vast te stellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Vaststaat dat appellant vanaf 20 juli 2016 in de Basisregistratie personen (Brp) niet meer op het uitkeringsadres stond ingeschreven en daar ook niet meer verbleef. Vast staat ook dat appellant de wijziging van zijn woon- en verblijfplaats niet onverwijld en uit eigen beweging heeft doorgegeven aan het college en aldus de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4. Anders dan appellant in hoger beroep, evenals in beroep, heeft aangevoerd, is hij hier niet in geslaagd.

5. De woon- en verblijfplaats van een betrokkene is van cruciaal belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt waar hij in de te beoordelen periode, van 20 juli 2016 tot 1 september 2016, feitelijk verbleef. Appellant heeft zich pas weer op 28 oktober 2016 bij de gemeente gemeld om een aanvraag om bijstand te doen. Hij heeft toen meegedeeld dat hij sinds 20 juli 2016 geen vaste woon- en verblijfplaats had en dat hij veel bij vrienden heeft verbleven. Pas in beroep heeft appellant gesteld dat hij wegens medische redenen van het uitkeringsadres is vertrokken en bij een vriend op een adres in Utrecht heeft verbleven. Hij heeft hierbij een schriftelijke verklaring van deze vriend van 21 juli 2017 overgelegd. Ook hiermee heeft appellant niet de gewenste duidelijkheid verschaft over zijn verblijfplaats in de te beoordelen periode. De verklaring over waar appellant heeft verbleven, komt niet overeen met wat hij op 28 oktober 2016 heeft aangegeven. De schriftelijke verklaring van zijn vriend is achteraf opgesteld en wordt niet met objectieve en verifieerbare gegevens ondersteund. Er kan dan ook niet worden vastgesteld waar appellant in de te beoordelen periode heeft verbleven, zodat het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) E. Stumpel (getekend) M. Schoneveld

md