Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
18/1058 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep van appellante ten onrechte niet mede gericht geacht tegen het invorderingsbesluit en de gronden met betrekking tot inhouding van vakantiegeld niet inhoudelijk beoordeeld. Uwv heeft pas ter zitting van de rechtbank het invorderingsbesluit toegelicht, waarna appellante geen inhoudelijke gronden meer aangevoerd tegen de nader toegelichte bedragen noch tegen de verrekening van het vakantiegeld met het bedrag van de terugvordering. Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat nu sprake is van een benadelingsbedrag, het Uwv niet had kunnen volstaan met een waarschuwing. Benadelingsbedrag is ruim € 30.000,- en de boete van € 10,- wordt evenredig geacht. Uwv veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1058 WAO

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 januari 2018, 16/3201 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellante en mr. Wudka zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving sinds 5 april 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%. Zij heeft in de periode van 18 januari 2010 tot 1 mei 2015 inkomsten uit arbeid ontvangen bij de Stichting [Stichting 1] en bij de Stichting [Stichting 2] die niet bij het Uwv bekend waren.

1.2.

Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellante in de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 april 2015 – met uitzondering van de reeds beoordeelde maanden december 2014, januari en februari 2015 – op basis van haar inkomsten en met toepassing van artikel 44 van de WAO, betaald had moeten worden naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Het Uwv heeft de hierdoor over die periode onverschuldigd aan appellante betaalde WAO-uitkering van € 30.250,63 bruto van haar teruggevorderd (terugvorderingsbesluit). Bij besluit van eveneens 17 mei 2016 heeft het Uwv appellante een boete van € 3.750,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Bij besluit van 20 mei 2016 is een bedrag van € 29.157,87 bruto van appellante ingevorderd (invorderingsbesluit).

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van

appellante tegen deze drie besluiten ongegrond verklaard en de boete wegens het ontbreken van aflossingscapaciteit vastgesteld op € 10,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de inhouding van het vakantiegeld niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit de berekening van de vordering van € 30.250,63 inzichtelijk heeft gemaakt. Het door het Uwv in het besluit van 20 maart 2016 genoemde bedrag van € 29.157,87 is een bruto bedrag dat resteert na verrekening met de jaarlijkse uitbetaling van vakantiegeld. Nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot inhouding van vakantiegeld in de periode van invordering van het teruggevorderde bedrag, is het beroep daartegen niet ontvankelijk. Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu er in dit geval sprake is van een benadelingsbedrag, niet volstaan kon worden met een waarschuwing, zodat de boete van € 10,- terecht is opgelegd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep verzocht de gronden van bezwaar en beroep als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij in de aangevallen uitspraak voor het eerst verneemt hoe het bedrag van € 30.250,63, vermeld in het terugvorderingsbesluit, zich verhoudt tot het bedrag van € 29.157,87 dat staat in het invorderingsbesluit, namelijk dat beide bruto bedragen zijn en dat het verschil tussen de twee bedragen het gevolg is van een inhouding van de jaarlijkse uitbetaling van vakantiegeld op het bedrag van € 30.250,63. Dit is volgens appellant door het Uwv niet duidelijk in een besluit uitgelegd, zodat zij in beroep terecht een grond heeft aangevoerd tegen de verschillen tussen de bedragen. Het beroep daarover is door de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar geen boete had moeten worden opgelegd en dat het Uwv had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak – met een verbetering van de motivering – bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Terugvordering/Invordering

4.1.

Het terugvorderingsbesluit van 17 mei 2016 strekt tot de vaststelling van de verplichting tot betaling van een geldsom als bedoeld in afdeling 4.4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit van 20 mei 2016, waarbij is beslist over de terugbetaling van deze geldsom, is een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. Op grond van deze bepaling heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, mede betrekking op een bijkomende beschikking, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen zowel het terugvorderingsbesluit als het invorderingsbesluit en in beroep tegen het bestreden besluit wederom de juistheid van de hoogte van de daarin genoemde bedragen betwist. Daarbij heeft zij verwezen naar de omstandigheid dat in beide primaire besluiten verschillende bruto bedragen worden genoemd en dat in het bestreden besluit wordt gesproken van een “netto” bedrag van € 29.157,87. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet mede gericht geacht tegen het invorderingsbesluit en ten onrechte de gronden van appellante met betrekking tot de inhouding van vakantiegeld niet inhoudelijk beoordeeld. Appellante heeft dan ook terecht aangevoerd dat de rechtbank haar beroep op dit punt ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Het Uwv heeft pas ter zitting van de rechtbank toegelicht dat het in het invorderingsbesluit genoemde bedrag geen netto bedrag is maar een bruto bedrag dat resteert na verrekening van het vakantiegeld met het bruto bedrag van de terugvordering. Appellante heeft na deze correctie van de motivering van het bestreden besluit op dit punt geen inhoudelijke gronden meer aangevoerd tegen de in het terugvorderingsbesluit en het invorderingsbesluit nader toegelichte bedragen noch tegen de verrekening van het vakantiegeld met het bedrag van de terugvordering.

Boete

4.3.

Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de WAO is het Uwv bevoegd in plaats van een boete te volstaan met een waarschuwing indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij dit niet (behoorlijk) nakomen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat nu sprake is van een benadelingsbedrag, het Uwv niet had kunnen volstaan met een waarschuwing. De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2068) gaat niet op, reeds omdat in de in die uitspraak aan de orde zijnde situatie, anders dan in het geval van appellante, geen sprake was van een benadelingsbedrag. Voor zover appellante doelt op in die uitspraak genoemd beleid van het Uwv, dat onder voorwaarden in gevallen met een benadelingsbedrag lager dan € 40,- met een waarschuwing in plaats van een boete wordt volstaan, moet worden vastgesteld dat appellante hoe dan ook niet daaraan voldoet nu het benadelingsbedrag in haar geval ruim € 30.000,- is. Tegen de boete van € 10,- heeft appellante verder geen gronden aangevoerd. Deze boete wordt evenredig geacht.

Conclusie

4.4.

Gelet op wat in 4.1 tot met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep voor zover gericht tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, omdat het beroep in zijn geheel ongegrond had moeten worden verklaard.

4.5.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.024,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 512,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.536,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.536,-;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 172,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en S. Wijna en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.A.A. Traousis

VC