Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
18-3358 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van 22 juni 2018 is geen nader besluit als bedoeld in artikel 6:19 Awb. Onderzoek door college dient op bepaalde wijze plaats te vinden, verwijzing naar vaste rechtspraak. Uitgaan van (de normtijden van) het CIZ-protocol. De Raad ziet geen aanleiding daar in deze zaak anders over te oordelen. College is gebleven binnen de kaders van het CIZ-protocol en de rechtspraak van de Raad. De beroepsgrond dat de omvang van de verstrekte maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning te laag is, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3358 WMO15, 18/5113 WMO15

Datum uitspraak: 6 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2018, 17/5293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 18/1434 WMO15, 18/3792 WMO15, 18/1444 WMO15, 18/3781 WMO15, 18/4289 WMO15, 18/4293 WMO15, 18/5110 WMO15, 18/1451 WMO15, 18/3784 WMO15 en 18/1436 WMO15 plaatsgevonden op 23 januari 2019, waar appellante is vertegenwoordigd door mr. Eisenberger en P.W.M. de Pagter en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, E.S. de Jong, M.C. Legemate en J.T.M. Boot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1933, heeft diverse aandoeningen.

1.2.

Appellante heeft op 25 april 2017 een aanvraag gedaan om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Bij besluit van

3 mei 2017 heeft het college, onder verwijzing naar een onderzoeksverslag en een ondersteuningsplan, aan appellante met ingang van 16 mei 2017 voor onbepaalde tijd een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning naar een omvang van 3 uur en

30 minuten per week (210 minuten) verstrekt in de vorm van zorg in natura. De maatwerkvoorziening voorziet in volledige overname van het zware huishoudelijke werk, het lichte huishoudelijke werk en de wasverzorging.

1.3.

Bij besluit van 19 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 3 mei 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang en kort samengevat, overwogen dat het verrichte onderzoek voldoet aan de eisen die de

Wmo 2015 daaraan stelt en dat het college bij de vaststelling van de benodigde tijd voor huishoudelijke ondersteuning heeft kunnen aansluiten bij de normtijden van het CIZ‑protocol. Het college heeft kunnen volstaan met de verstrekte maatwerkvoorziening.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek dat het college op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 moet uitvoeren incompleet is en dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet voldoende is.

3.2.

Het college heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven. Volgens het college is het verrichte onderzoek volledig geweest, heeft het college kunnen volstaan met de verstrekte maatwerkvoorziening en is bij de vaststelling van de benodigde tijd voor de huishoudelijke ondersteuning terecht aangesloten bij de normtijden van het CIZ‑protocol.

Wel heeft het college geconstateerd dat bij het bestreden besluit per abuis hiervan is afgeweken. Het college heeft appellante hiervan bij brief van 22 juni 2018 op de hoogte gebracht en meegedeeld dat bij een juiste toepassing van de normtijden van het CIZ‑protocol tot 210 minuten aan huishoudelijke ondersteuning per week wordt gekomen. Aangezien aan appellante reeds 210 minuten huishoudelijke ondersteuning was verstrekt, leidt dit niet tot wijziging van de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat de onder 3.2 genoemde brief van 22 juni 2018 geen nader besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze brief brengt geen wijziging in de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Ook wordt hiermee aan het bestreden besluit geen andere bevoegdheidsgrondslag of een andere toepassingsvoorwaarde ten grondslag gelegd. Met deze brief wordt enkel de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Hoewel uit de brief van 22 juni 2018 blijkt dat het bestreden besluit een (summier) motiveringsgebrek heeft, ziet de Raad aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Duidelijk is dat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen.

4.2.

In een met deze zaak vergelijkbare zaak, die heeft geleid tot de uitspraak van

11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, is, onder verwijzing naar de uitspraak van

21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, beschreven op welke wijze het onderzoek door het college dient plaats te vinden. Uit het in 1.2 genoemde onderzoeksverslag, het ondersteuningsplan en het daarop gevolgde besluit van 3 mei 2017 blijkt dat het onderzoek van het college hieraan voldoet. De beroepsgrond dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek incompleet is, slaagt dan ook niet. Verder is niet gebleken dat bij het onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van appellante of dat door de casemanager onvoldoende is doorgevraagd. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat met appellante is gesproken over haar sociale contacten en dat er op dat punt geen problemen zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het college niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen ondersteuning gericht op sociale participatie geboden hoefde te worden. Indien appellante alsnog ondersteuning gericht op sociale participatie wenst, kan zij zich tot het college wenden en zullen in een gesprek de mogelijkheden daarvoor worden bekeken. Uit het onderzoeksverslag komt verder naar voren dat de situatie van appellante op het punt van het verplaatsen is besproken. Uit de verstrekte informatie heeft het college niet hoeven concluderen dat zij op dat gebied (meer) ondersteuning nodig had.

4.3.

In de hiervoor genoemde uitspraak van 11 juli 2018 is, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403, overwogen dat het college bij de vaststelling van de benodigde tijd voor huishoudelijke ondersteuning heeft kunnen uitgaan van

(de normtijden van) het CIZ‑protocol. De Raad ziet geen aanleiding daar in deze zaak anders over te oordelen.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat de omvang van de verstrekte maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning te laag is, omdat ten onrechte geen tijd is berekend voor het bereiden van de warme maaltijden en het ondersteunen bij het doen van de boodschappen, slaagt niet. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat appellante heeft verklaard dat zij samen met haar dochter één keer per week de boodschappen doet. Verder blijkt hieruit dat appellante de broodmaaltijd zelf verzorgt en dat zij voor de warme maaltijd verschillende keren per week gebruik maakt van de mogelijkheden van de ‘open tafel’ in [gemeente] . Zij heeft verschillende adressen waar zij naartoe gaat en heeft een aantal kant en klare maaltijden in de vriezer voor de dagen dat zij niet uit eten gaat. Niet valt in te zien dat van deze mededelingen niet kan worden uitgegaan. Dat het boodschappen doen en de maaltijdverzorging voor appellante op deze wijze niet voldoende geborgd is, heeft zij niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) J.M.M. van Dalen

md