Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
18-1449 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het besluit van 10 september 2018 is geen nader besluit dat op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 Awb in de beoordeling kan worden betrokken. En ook de brief van 22 juni 2018 is dat niet. Hoewel uit de brief van 22 juni 2018 blijkt dat het bestreden besluit een (summier) motiveringsgebrek heeft, kan dit gebrek worden gepasseerd. Onderzoek college uiteindelijk compleet. CIZ-protocol en toetsing in het individuele geval. Kaders van het CIZ-protocol en de vaste rechtspraak van de Raad. Op basis van het aangevoerde valt niet in te zien dat te weinig tijd is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1449 WMO15, 18/3789 WMO15

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2018, 17/110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019. Namens appellante zijn mr. Eisenberger en P.W.M. de Pagter verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.M. Pijnaker, M.C. Legemate en J.T.M. Boot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1947, heeft diverse aandoeningen. Als gevolg hiervan heeft zij beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. Het college heeft appellante in verband hiermee op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van appellante dat zij onvoldoende huishoudelijke ondersteuning krijgt, heeft op 19 juli 2016 een huisbezoek plaatsgevonden. Het college heeft het onderzoeksverslag van 26 augustus 2016 aangemerkt als aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2016 heeft het college, onder verwijzing naar het onderzoeksverslag en het ondersteuningsplan, aan appellante met ingang van 12 september 2016 voor onbepaalde tijd een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt, naar een omvang van 3 uur en 15 minuten per week in de vorm van zorg in natura. De maatwerkvoorziening voorziet in volledige overname van het zware huishoudelijke werk en de wasverzorging en een gedeeltelijke overname van het lichte huishoudelijke werk.

1.4.

Bij besluit van 29 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 29 augustus 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang en kort samengevat, overwogen dat het verrichte onderzoek voldoet aan de eisen die de Wmo 2015 daaraan stelt, dat het college, gelet op de uitspraken van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403 en 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633, bij de vaststelling van de benodigde tijd voor huishoudelijke ondersteuning heeft kunnen aansluiten bij de normtijden van het CIZ-protocol. Het college heeft kunnen volstaan met de verstrekte maatwerkvoorziening.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek dat het college op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 moet uitvoeren incompleet is en dat de verstrekte maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning niet voldoende is.

3.2.

Het college heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven. Volgens het college is bij de vaststelling van de benodigde tijd voor de huishoudelijke ondersteuning terecht aangesloten bij de normtijden van het CIZ-protocol. Wel heeft het college geconstateerd dat bij het bestreden besluit per abuis hiervan is afgeweken. Het college heeft appellante hiervan bij brief van 22 juni 2018 op de hoogte gebracht en meegedeeld dat bij een juiste toepassing van de normtijden van het CIZ-protocol tot 195 minuten per week aan huishoudelijke ondersteuning per week wordt gekomen. Dit leidt niet tot wijziging van de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij besluit van 10 september 2018 heeft het college aan appellante vanaf 27 augustus 2018 tot 1 februari 2019 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor 240 minuten per week verstrekt. Dit besluit is geen nader besluit dat op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling kan worden betrokken, omdat aan dit besluit een nieuwe aanvraag ten grondslag ligt en dit besluit een andere beoordelingsperiode betreft waarin de medische situatie van appellante was verslechterd.

4.2.

Ook de onder 3.2 genoemde brief van 22 juni 2018 is geen nader besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Deze brief brengt geen wijziging in de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Ook wordt hiermee aan het bestreden besluit geen andere bevoegdheidsgrondslag of een andere toepassingsvoorwaarde ten grondslag gelegd. Met deze brief wordt enkel de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Hoewel uit de brief van 22 juni 2018 blijkt dat het bestreden besluit een (summier) motiveringsgebrek heeft, ziet de Raad hierin aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Aannemelijk is dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Duidelijk is dat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen.

4.3.

In een met deze zaak vergelijkbare zaak, die heeft geleid tot de uitspraak van

11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, is, onder verwijzing naar de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, beschreven op welke wijze het onderzoek door het college dient plaats te vinden. Uit het in 1.2 genoemde onderzoeksverslag van

26 augustus 2016 en het daarop gevolgde besluit van 29 augustus 2016 met daarbij het ondersteuningsplan, blijkt dat het onderzoek van het college hieraan voldoet. De beroepsgrond dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek incompleet is, slaagt dan ook niet.

4.4.

In de hiervoor genoemde uitspraak van 11 juli 2018 is, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403, overwogen dat het college voor de vaststelling van de benodigde tijd voor huishoudelijke ondersteuning heeft kunnen uitgaan van (de normtijden van) het CIZ-protocol. De Raad ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. Uit het CIZ-protocol blijkt dat de normtijden zijn opgebouwd uit diverse activiteiten. Door binnen die normtijden per activiteit aan te geven hoeveel tijd daaraan wordt toegekend en daarbij, zoals ter zitting is toegelicht, steeds te toetsen of deze tijd ook in het individuele geval gehanteerd kan worden, is het college binnen de kaders gebleven van het CIZ-protocol en de vaste rechtspraak van de Raad.

4.5.

De beroepsgrond van appellante dat de omvang van de verstrekte maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning te laag is omdat te weinig tijd is berekend voor het bereiden van maaltijden, voor (licht) huishoudelijk werk en het boodschappen doen, slaagt niet. Ten aanzien van het boodschappen doen kan, op basis van het onderzoeksverslag en het verhandelde ter zitting van de rechtbank, worden aangenomen dat appellante ten tijde van belang probeerde zelf boodschappen te doen en vervolgens naar tevredenheid gebruik is gaan maken van een boodschappenservice. Verder blijkt uit het onderzoeksverslag dat de longklachten van appellante, die volgens appellante tot energetische beperkingen leiden bij het uitvoeren van huishoudelijk werk en de maaltijdbereiding, door de casemanager bij de beoordeling zijn betrokken. Op basis van het aangevoerde valt niet in te zien dat te weinig tijd is toegekend.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) M.A.A. Traousis

GdJ