Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:74

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
17/4297 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv appellant in het kader van de zogenoemde startersregeling toestemming verleend om gedurende de periode van 5 maart 2012 tot en met 2 september 2012 met behoud van WW-uitkering zijn eigen bedrijf te beginnen. Uitkering als voorschot. Bij besluit van 16 maart 2016 heeft het Uwv op basis van de definitieve belastingaanslagen vastgesteld dat appellant tijdens de startperiode een te hoog bedrag aan voorschot WW-uitkering heeft ontvangen. Het Uwv heeft bij dit besluit een gedeelte van het verstrekte voorschot, te weten een bedrag van € 11.785,80 bruto, van appellant teruggevorderd. Voor zover het appellant niet duidelijk was wat de precieze voorwaarden van de startperiode inhielden had het op zijn weg gelegen zich nader te (laten) informeren via de werkcoach, de website van het Uwv of bezwaar te maken tegen dat besluit. Dat appellant dit heeft nagelaten moet voor zijn rekening en risico blijven. met de rechtbank geconcludeerd dat appellant had kunnen en moeten weten dat een deel van zijn inkomsten als startende zelfstandige zou worden verrekend met de door hem over de startersperiode ontvangen WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4297 WW

Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 mei 2017, 16/5752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 17/6190 WW plaatsgevonden op

21 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door C.A. Alderliesten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Na de sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken (afzonderlijk) uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het Uwv appellant toestemming gegeven om met behoud van zijn WW-uitkering te onderzoeken of hij een eigen bedrijf kan starten. In deze brief is appellant erop gewezen dat de onderzoeksperiode loopt van 18 januari 2012 tot en met 4 maart 2012. Tevens is appellant erop gewezen dat hij deze onderzoeksperiode niet mag gebruiken om echt te starten met zijn bedrijf en ook niet om opdrachten binnen te halen. Daarbij is meegedeeld dat, als na afloop van de onderzoeksperiode gekozen wordt voor een startperiode van maximaal 26 weken, de WW-uitkering dan als voorschot wordt betaald en dat het Uwv van de WW-uitkering dan achteraf 70% van de inkomsten zal aftrekken.

1.3.

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het Uwv appellant in het kader van de zogenoemde startersregeling toestemming verleend om gedurende de periode van 5 maart 2012 tot en met 2 september 2012 met behoud van WW-uitkering zijn eigen bedrijf te beginnen. In dit besluit is de volgende passage opgenomen:

Uw Uitkering als voorschot

Tijdens de startperiode krijgt u uw uitkering als voorschot. Wij moeten 70% van uw inkomsten van uw uitkering aftrekken. Wij kijken daarbij naar de totale inkomsten in de periode van 52 weken na de start van uw bedrijf. De helft daarvan rekenen we toe aan de startperiode. Hoe hoog uw inkomsten zijn kunnen wij pas na ruim twee jaar berekenen. Dit doen wij namelijk op basis van uw definitieve belastingaanslagen.”

1.4.

Na afloop van de startperiode heeft appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige voortgezet voor 20 uur per week. Het Uwv heeft appellant bij brief van 22 augustus 2012 geïnformeerd dat de startperiode per 2 september 2012 eindigt. Het Uwv heeft daarbij bevestigd dat appellant per 3 september 2012 voor 20 uur per week in zijn bedrijf werkzaam is en erop gewezen dat deze uren in mindering worden gebracht op zijn WW-uitkering. Daarnaast is appellant erop gewezen dat nog beoordeeld moet worden of hij zijn

WW-uitkering over de startperiode geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen en dat voor die beoordeling zal worden uitgegaan van de inkomsten uit zijn bedrijf zoals die door de Belastingdienst worden vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 16 maart 2016 heeft het Uwv op basis van de definitieve belastingaanslagen vastgesteld dat appellant tijdens de startperiode een te hoog bedrag aan voorschot WW-uitkering heeft ontvangen. Het Uwv heeft bij dit besluit een gedeelte van het verstrekte voorschot, te weten een bedrag van € 11.785,80 bruto, van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij de beslissing op bezwaar van 7 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard en het besluit van 16 maart 2016 gehandhaafd. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat voor de berekening van het inkomen over 2012 en 2013 wordt uitgegaan van de definitieve belastingaanslagen. Van onjuiste informatievoorziening, het schenden van gemaakte afspraken of een toezegging dat niet zou worden teruggevorderd is geen sprake geweest.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, gelet op de aan appellant verzonden brieven, het werkplan van 18 januari 2012, de door appellant doorgenomen documentatie over starten als zelfstandige vanuit de WW-uitkering en het feit dat appellant gebruik wilde maken van de startperiode, er vanuit gegaan moet worden dat appellant op de hoogte was van de consequenties van het werken als zelfstandige met behoud van een WW-uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv appellant meermaals heeft geïnformeerd over het feit dat de WW-uitkering over de startperiode werd betaald als voorschot en dat, zodra de definitieve belastingaanslagen bekend zouden zijn, de inkomsten als zelfstandige zouden worden verrekend met het voorschot. Appellant mocht er daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij niets van de door hem ontvangen voorschotten
WW-uitkering hoefde terug te betalen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij er niet van op de hoogte was dat hij de WW-uitkering over de startperiode zou moeten terugbetalen. Volgens appellant heeft werkcoach [naam] hem en zijn zoon [naam zoon] meegedeeld dat het geldpotje voor startersleningen al op was op het moment dat zij kwamen praten over de opzet van hun bedrijf. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij niet bekend is met de inhoud van het werkplan van 18 januari 2012 en dat plan ook niet heeft ondertekend, evenmin als de in 1.4 genoemde brief van het Uwv van 22 augustus 2012. Appellant heeft benadrukt met de werkcoach te hebben afgesproken dat hij naast 20 uur werkzaamheden als zelfstandige een WW-uitkering voor 20 uur zou ontvangen. Omdat het Uwv appellant niet over verrekening van inkomsten met zijn WW-uitkering heeft geïnformeerd hoefde appellant de terugvordering niet te verwachten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 3.1, 3.2 en 4.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Vaststaat dat het Uwv in het onder 1.3 genoemde besluit van 28 februari 2012 appellant vanaf 5 maart 2012 een startperiode heeft toegekend. In dit besluit heeft het Uwv appellant erop gewezen dat zijn WW-uitkering in de periode van 5 maart 2012 tot en met

2 september 2012 als voorschot wordt verstrekt. Uit dat besluit volgt tevens dat een bedrag aan voorschot kan worden teruggevorderd. Voor zover het appellant niet duidelijk was wat de precieze voorwaarden van de startperiode inhielden had het op zijn weg gelegen zich nader te (laten) informeren via de werkcoach, de website van het Uwv of bezwaar te maken tegen dat besluit. Dat appellant dit heeft nagelaten moet voor zijn rekening en risico blijven.

4.3.

Het standpunt van appellant dat hem mondeling nooit is verteld dat de in de startperiode teveel betaalde voorschotten aan WW-uitkering door het Uwv zullen worden teruggevorderd maakt dit niet anders. Naast de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten en de onder 1.4 genoemde brief van 22 augustus 2012 van het Uwv is aan appellant de folder “Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?” uitgereikt waarin uitleg wordt gegeven over de startersregeling. Uit deze stukken, in samenhang met de gespreksaantekeningen van de werkcoach van 5 januari 2012, 18 januari 2012, 23 augustus 2012, 5 oktober 2012 en

8 oktober 2012 en de verklaring van de werkcoach van 18 juli 2016, blijkt dat appellant door het Uwv voldoende is geïnformeerd over de gevolgen van het werken als zelfstandige met behoud van WW-uitkering in de startperiode. Voor de toepasselijkheid van de regelgeving was, anders dan appellant kennelijk meent, diens instemming daarmee niet vereist. Dat het door de werkcoach opgestelde werkplan niet door appellant is ondertekend doet aan het voorgaande evenmin af.

4.4.

Op grond van wat in 4.2 en 4.3 is overwogen wordt met de rechtbank geconcludeerd dat appellant had kunnen en moeten weten dat een deel van zijn inkomsten als startende zelfstandige zou worden verrekend met de door hem over de startersperiode ontvangen

WW-uitkering. Er is dan ook geen grond om af te wijken van de dwingend voorgeschreven wijze van verrekening van de inkomsten.

4.5.

Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van de bij de berekening van de korting in aanmerking genomen uitkering, noch tegen de berekening als zodanig.

4.6.

Wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) R.P.W. Jongbloed

md