Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
18/3943 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4555, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de WIA-uitkering terecht vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,37%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3943 WIA

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2018, 15/6538 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Goudkade hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Goudkade. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 4 februari 2013 in verband met hartritmestoornissen en oogproblemen uitgevallen voor zijn werk als servicemonteur bij een meubelbedrijf voor 37,32 uur per week. Bij besluit van 23 december 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 februari 2015 een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gelet op een loonverlies van 39,53%. Bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het loonverlies op 36,37% gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft mr. J.T.J.A. Klijn, verzekeringsarts, benoemd als deskundige en verzocht van verslag en advies te dienen. Klijn acht blijkens zijn rapport van 30 juli 2017 een verdergaande medische urenbeperking dan de urenbeperking van 30 uur per week niet aan de orde. Zijn conclusie ondersteunt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor een verdergaande urenbeperking geen medische noodzaak is. Ook overigens heeft hij kunnen instemmen met de beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 december 2014. In hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, mede onder verwijzing naar de brief van 19 augustus 2018 van F.C. Visser, cardioloog, aangevoerd dat de functionele beperkingen die appellant ten gevolge van CVS/ME heeft, niet dan wel onvoldoende worden erkend. Daarbij heeft appellant gewezen op het advies van 19 maart 2018 van de Commissie ME/CVS van de Gezondheidsraad dat is opgesteld op verzoek van de Tweede Kamer. Tevens dient een verdergaande urenbeperking te worden aangenomen. De energetische beperkingen zijn door Visser bij een onderzoek geobjectiveerd. De cardio- en cerebrovasculaire aspecten van het totale ziektebeeld CVS/ME is de expertise van Visser en C.M.C. van Campen. Tevens heeft appellant gewezen op het onderzoek door H.M.Th. Offermans, verzekeringsarts, als neergelegd in het rapport van 4 november 2015. Appellant heeft er ook op gewezen dat hij beperkingen aan zijn oog heeft ten gevolge van een terugkerende herpesinfectie in zijn oog. Zowel in 2002 als in 2014 heeft appellant een hoornvliestransplantatie ondergaan. Appellant ziet wisselend wazig met een oog, dit wreekt zich bij het zien van kleine voorwerpen en/of het doen van fijn precisiewerk, de geselecteerde voorbeeldfuncties passen niet bij deze beperkingen van zijn visus. Tenslotte heeft appellant verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellant lijdt dan wel zal gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv de WIA-uitkering van appellant terecht met ingang van 2 februari 2015 heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,37%.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rechtbank is met juistheid afgegaan op het rapport van de door haar benoemde deskundige. De deskundige heeft gemotiveerd waarom hij, gelet op de door appellant gemelde klachten en de visie van zijn behandelaars, wat betreft de aan te nemen beperkingen heeft aangesloten bij de bevindingen van de verzekeringsartsen. Er is ook geen aanleiding om af te wijken van de conclusie van de deskundige over het niet noodzakelijk zijn van een arbeidsduurbeperking. De brief van Visser van 19 augustus 2018 leidt niet tot een andere conclusie, reeds omdat deze niet ziet op de datum in geding. De visie van Visser wijkt bovendien af van de visie van de cardioloog J.P.M. Saelman, die appellant eerder heeft behandeld. Ook wat betreft de oog- en handklachten is er geen reden het standpunt van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) niet te volgen, mede gelet op hetgeen Klijn hierover heeft geadviseerd.

4.3.

De verwijzing van appellant naar het advies van de Gezondheidsraad, waarin aan medische beoordelaars in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt aanbevolen te erkennen dat ME/CVS een ernstige ziekte is die gepaard gaat met substantiële functionele beperkingen, is onvoldoende om voor appellant een ruimere urenbeperking aangewezen te achten, reeds omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de situatie van appellant (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:275). Bovendien is door de verzekeringsartsen in verband met de chronische vermoeidheidsklachten wel degelijk aangenomen dat appellant arbeidsbeperkingen heeft (waaronder een urenbeperking) en gaat het om de vraag of deze beperkingen zijn onderschat, waarover in de vorige overwegingen is geoordeeld dat dat niet het geval is.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 december 2014 heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de ten aanzien van appellant geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 september 2015. In dat rapport is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met zijn verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.D. Alting Siberg

VC