Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
17/1578 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:401, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Juiste medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1578 ZW

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 januari 2017, 16/131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd en een nieuwe beslissing op bezwaar overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als huishoudelijke hulp. Op 16 mei 2014 heeft zij zich ziek gemeld. Haar dienstverband is op 30 juni 2015 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 21 juli 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juli 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 100% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 6 augustus 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 juli 2015 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 1 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellante op
1 juli 2015 ongeschikt was voor haar eigen werk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden en bestaat geen aanleiding het medisch oordeel voor onjuist te houden. Evenmin is gebleken dat de belasting in de geduide functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellante op 1 juli 2015 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en per die datum niet in aanmerking komt voor een ZW-uitkering.

2.2.

Het Uwv heeft op 14 januari 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellante, met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag na het besluit van

6 augustus 2015, pas per 7 september 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen bestreden besluit 1 herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een brief van sociaalpsychiatrisch verpleegkundige M. van den Hurk en psychiater A. Hagendijk (van Antes) van 22 oktober 2018 en een brief van huisarts B. Koerts van 13 december 2018 overgelegd. Appellante heeft geen nadere gronden ingediend tegen bestreden besluit 2.

3.2.

Het Uwv heeft ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2 bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen. Dit wordt ook wel de uitlooptermijn genoemd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.2.

Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een oordeel gegeven over de beëindiging van het ziekengeld van appellante per 1 juli 2015. Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 dit standpunt verlaten voor zover het de datum van de beëindiging betreft. Voor het overige heeft het Uwv de motivering van bestreden besluit 1 gehandhaafd. De Raad gaat gelet hierop uit van de onjuistheid van het oordeel van de rechtbank over het door het Uwv niet langer gehandhaafde standpunt over de datum van de beëindiging en daarom ook over de datum in geding. De aangevallen uitspraak zal daarom vernietigd worden. Het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 zal worden vernietigd.

4.4.

Met bestreden besluit 2 is niet volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Bestreden besluit 2 wordt daarom, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4.5.

Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat appellante op 7 september 2015 in staat was met passend werk ten minste 65% van haar oude loon te verdienen, verwezen naar de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1. Appellante heeft in hoger beroep informatie van Antes en haar huisarts ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 8 januari 2019 met betrekking tot de nieuwe beoordelingsdatum, 7 september 2015, inzichtelijk geconcludeerd dat de door appellante overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft het over de eerdere beoordelingsdatum ingenomen standpunt te wijzigen. Daartoe heeft hij overwogen dat deze informatie bevestigt dat bij appellante sprake is van een klachtenpatroon, zonder dat daaraan een medische afwijking ten grondslag ligt, wat door Antes een somatische symptoomstoornis is genoemd. Met de door Antes genoemde vermijdende persoonlijkheidsstoornis is naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML (voldoende) rekening gehouden. Dit standpunt wordt onderschreven. Bestreden besluit 2 berust daarmee op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

5. Gelet op het feit dat het Uwv in hoger beroep een gewijzigd besluit heeft genomen, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor juridische bijstand worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 512,- in hoger beroep, in totaal € 1.536,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 15 december 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2019 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.536,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) G.D. Alting Siberg

RB