Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
17/8282 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing overgangsregeling inzake de afbouwtoelage inconveniënten in verband met het vervallen van de inconveniëntentoelage AID en Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8282 AW

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
22 november 2017, 17/102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Economische Zaken en Klimaat (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Bots hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019. De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken 17/5570 AW, 17/7559 AW en 17/8284 AW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bots. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. Diederix en mr. L.E. Heerma van Voss.

In de zaken 17/5570 AW, 17/7559 AW en 17/8284 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat als [functie] . Tot 1 januari 2012 was hij werkzaam bij de [onderdeel] ( [onderdeel] ) en ontving hij een inconveniëntentoelage AID.

1.2.

Een aantal diensten, waaronder de AID, is met ingang van 1 januari 2012 gefuseerd tot de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In het kader van die fusie is de Overeenkomst Arbeidsvoorwaarden NVWA van 5 juli 2011 opgesteld (overeenkomst). In onderdeel B van die overeenkomst is een overgangsregeling opgenomen (overgangsregeling). In overeenstemming met de overgangsregeling ontving appellant vanaf 1 januari 2012 een afbouwtoelage inconveniënten (afbouwtoelage) in verband met het vervallen van de inconveniëntentoelage AID.

1.3.

Bij besluit van 21 januari 2016 is de functie van appellant van [functie] opnieuw beschreven en gewaardeerd. Per 1 december 2015 is de functie ingedeeld in salarisschaal 11. Tot die datum was dit salarisschaal 10. Bij het besluit van 21 januari 2016 is tevens bepaald dat de door appellant ontvangen afbouwtoelage met ingang van 1 december 2015 met hetzelfde bedrag naar beneden wordt bijgesteld als zijn salaris per die datum en in de toekomst zal toenemen door de plaatsing in de hogere schaal. Tegen deze laatste beslissing heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 13 november 2016 hebben de minister en de Minister voor Wonen en Rijksdienst ter uitvoering van de overeenkomst de Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA (Stcrt. 2016, nr. 60956; Tijdelijke regeling) vastgesteld. In artikel 9 van de Tijdelijke regeling is bepaald dat de regeling in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met

1 januari 2012.

1.5.

Het bezwaar van appellant tegen de bijstelling van de afbouwtoelage inconveniënten is bij besluit van 29 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in punt 4 van de overgangsregeling is opgenomen: “In geval van verhoging van het salaris van de medewerker anders dan door bevordering naar een hogere salarisschaal, wordt de oude bruto bezoldiging met hetzelfde bedrag verhoogd.

Periodieken hebben geen negatief effect voor de medewerker op de hoogte van de afbouwtoelage.” Onder bevordering moet in dit verband volgens de minister worden verstaan: iedere plaatsing in een hogere salarisschaal. Ook de toekenning van een hogere functieschaal op basis van een nieuwe functiewaardering valt hier onder. Doordat appellant per

1 december 2015 is geplaatst in salarisschaal 11, trede 8, komt zijn inschaling per die datum uit boven het maximum van zijn vorige salarisschaal, schaal 10. Gezien punt 4 van de overgangsregeling is er aanleiding voor bijstelling van de afbouwtoelage. Daarbij is verwezen naar een uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst (AAC) van

17 november 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat in dit geschil ter beoordeling staat of een toekenning van een hogere schaal als gevolg van een herwaardering van een functie moet worden gelijkgesteld aan een bevordering als bedoeld in punt 4 van de overgangsregeling. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de AAC al een oordeel heeft gegeven over de wijze waarop punt 4 van de overgangsregeling moet worden uitgelegd en dat de AAC daarbij de hele bepaling heeft betrokken, waaronder het daarvan deel uitmakende begrip bevordering. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet aan de wens van partijen worden voldaan om opnieuw te beoordelen of de minister op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan punt 4 van de overgangsregeling. De AAC heeft een bindende uitspraak gedaan, waaraan partijen zijn gebonden op grond van artikel 110k van het Algemeen rijksambtenarenreglement.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7232) individuele ambtenaren rechtspositionele aanspraken niet rechtstreeks ontlenen aan een arbeidsvoorwaardenakkoord. Zij ontlenen dergelijke aanspraken aan de ter uitvoering van dat akkoord vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en in dit kader gehanteerde beleidsregels.

3.2.

In dit geval zijn de ter uitvoering van de onder 1.2 genoemde overeenkomst vastgestelde algemeen verbindende voorschriften opgenomen in de onder 1.4 genoemde Tijdelijke regeling, die in overleg met de centrales van overheidspersoneel tot stand is gekomen. Nu voor de beoordeling van het geschil moet worden uitgegaan van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en de Tijdelijke regeling op dat moment was vastgesteld en in werking getreden, bevat de Tijdelijke regeling - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - het hier toepasselijke recht met betrekking tot de aanspraak op en bijstelling van de afbouwtoelage. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, de vaststelling van de Tijdelijke regeling heeft plaatsgevonden na het uitbrengen van het advies van de bezwaaradviescommissie en zeer kort voor het nemen van het bestreden besluit, doet daar niet aan af. Uit het voorgaande volgt dat aan het oordeel van de AAC voor dit geschil niet de betekenis toekomt die de rechtbank daaraan heeft toegekend.

3.3.

Aan de stelling van appellant dat men bij het opstellen van de onder 1.2 bedoelde overeenkomst, in het bijzonder punt 4 van de overgangsregeling, slechts het oog zou hebben gehad op AID-medewerkers die in het kader van de totstandkoming van de NVWA zijn bevorderd van schaal 8 naar schaal 9 - de minister heeft deze stelling uitdrukkelijk bestreden - kan, wat hiervan verder zij, voorbij worden gegaan, omdat de Tijdelijke regeling hier het toepasselijke recht bevat. Nu de tekst van de Tijdelijke regeling noch de toelichting hierop aanknopingspunten geeft om aan te nemen dat de Tijdelijke regeling niet op appellant van toepassing is en namens appellant ter zitting van de Raad is erkend dat de bijstelling van de afbouwtoelage op grond van de Tijdelijke regeling zelf juist is, is die bijstelling bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

3.4.

Het bestreden besluit is ten onrechte niet gebaseerd op de Tijdelijke regeling. Omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld, bestaat aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.

3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

4. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant, in beroep tot een bedrag van € 1.024,- en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 1.024,- wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
    van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.H.H. Slaats

lh