Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:71

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
14/6831 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op juiste gronden geoordeeld dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 2:4, aanhef en tweede lid, van de Wajong 2010. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat appellant een mogelijkheid tot arbeidsparticipatie heeft. Uit het eindrapport van het re-integratietraject komt naar voren dat er in de (nabije) toekomst zicht op is dat appellant inkomsten kan verwerven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 6831 WAJONG, 15/4917 WAJONG

Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

3 november 2014, 14/2568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Skála hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tevens een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, gedateerd op 7 mei 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Skála en H.H.W. Kuper-Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft W.H.J. Mutsaers, psychiater, benoemd als deskundige. Mutsaers heeft op 5 december 2016 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport van Mutsaers reden gezien om een gewijzigd standpunt in te nemen. Bij besluit van 3 mei 2017 is appellant alsnog met ingang van

3 april 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Appellant heeft een aanvullend hoger beroepschrift ingediend en het Uwv heeft hier op gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 13 juni 2018. Namens appellant is verschenen mr. Skála. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

Na de zitting is het onderzoek heropend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellant heeft op 22 september 2010 een Wajong-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is niet verder in behandeling genomen omdat appellant tot twee maal toe niet op het spreekuur van de arbeidsdeskundige is verschenen.

1.1.2.

Op 12 december 2012 heeft appellant opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. De verzekeringsarts heeft op 18 januari 2013 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld waarin de belastbaarheid van appellant is vastgelegd. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd die passen binnen de belastbaarheid van appellant. Bij besluit van 7 februari 2013 is de uitkering geweigerd. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.1.3.

Op 10 juli 2013 heeft appellant opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd omdat bij hem ADHD is gediagnosticeerd. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 februari 2013. Bij besluit van 19 augustus 2013 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 7 februari 2013 omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat dit besluit onjuist zou zijn.

1.2.

Bij besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 19 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld de gestelde diagnose niet als nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt, zodat het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 februari 2013 terecht is afgewezen.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

3.2.

De Raad heeft psychiater Mutsaers als deskundige benoemd. In zijn rapport van 5 december 2016 heeft Mutsaers zich op het standpunt gesteld dat de FML van

18 januari 2013 niet juist is. Appellant heeft meer beperkingen dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. De deskundige heeft aangegeven waarvoor en in welke mate appellant beperkt is.

3.3.

Met inachtneming van de bevindingen van Mutsaers heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe FML opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de eerder geselecteerde functies niet langer geschikt zijn en dat er onvoldoende andere geschikte functies zijn te duiden. Dat betekent dat appellant per

3 april 2013 alsnog volledig arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Wajong. Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2017 is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en is appellant met ingang van 3 april 2013 een Wajong-uitkering toegekend. In deze beslissing is ook neergelegd dat appellant recht heeft op arbeidsondersteuning. Dit is vastgelegd in het Werkplan Wajong dat als bijlage bij de beslissing is gevoegd.

3.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 3 mei 2017 ingebracht dat het Uwv daarin ten onrechte stelt dat hij kan werken en dat hij beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. Hij is niet tot arbeidsparticipatie in staat.

3.5.

In reactie hierop heeft het Uwv in de brief van 29 juni 2017 geschreven dat de vaststelling door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat er onvoldoende functies zijn te duiden, niet betekent dat appellant in het geheel geen participatiemogelijkheden heeft. Er bestaat alleen recht op een Wajong-uitkering als er ook recht is op arbeidsondersteuning. De manier waarop invulling is gegeven aan die arbeidsondersteuning is verwoord in het Werkplan Wajong.

3.6.

Bij brief van 18 mei 2018 heeft het Uwv nadere stukken opgestuurd waaruit blijkt dat inmiddels is vastgesteld dat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat er wel mogelijkheden zijn om in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen.

3.7.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv de eindrapportage van het re-integratietraject gedateerd op 18 juni 2019 (lees: 2018) opgestuurd. In dit rapport staat dat appellant stappen heeft gemaakt om als zelfstandig glazenwasser aan het werk te gaan. Er is een plan opgesteld en er is een aanvraag gedaan voor een starterslening. Er wordt geadviseerd een traject naar werk in te zetten om appellant hierin te blijven monitoren en ondersteunen bij het uitzetten van een eigen bedrijf. Indien dit onvoldoende inkomsten of werk oplevert, wordt appellant begeleid naar een functie in loondienst.

3.8.

Appellant heeft bij brief van 29 juli 2018 op het eindrapport van het re-integratietraject gereageerd. Appellant schrijft dat hij een indicatie voor dagbesteding in het kader van de WMO van de gemeente heeft gekregen. Deze indicatie is strijdig met het verslag, want de indicatie is afgegeven omdat appellant niet in staat wordt geacht te werken. Dat appellant in staat wordt geacht een eigen glazenwassersbedrijf op te starten en in stand te houden is apert onjuist. Hij zal nooit een substantieel inkomen kunnen verwerven als glazenwasser. Het rapport is te rooskleurig. Hij is niet in staat zelfstandig en zonder permanente ondersteuning arbeid te verrichten.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2017 is het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2013 alsnog gegrond verklaard. Hierdoor heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Wel is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot het vergoeden van het door appellant betaalde griffierecht.

4.3.

Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 3 mei 2017 wordt als volgt overwogen.

4.4.1.

Artikel 2:4 van de Wajong 2010 ‘definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’, luidde vanaf 1 januari 2010 tot 1 januari 2015 voor zover hier van belang als volgt:

1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen.

2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

3. Onder een medisch stabiele of verslechterende situatie wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.4.2.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv op juiste gronden heeft geoordeeld dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 2:4, aanhef en tweede lid, van de Wajong 2010.

4.4.3.

Uit de uitspraak van de Raad van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2994, volgt dat alleen indien er geen enkele mogelijkheid tot arbeidsparticipatie bestaat, nu niet en in de toekomst niet, de bij een betrokkene vastgestelde volledige arbeidsongeschikt ook duurzaam is. Dat is slechts het geval als een betrokkene niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.

4.5.

Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat appellant een mogelijkheid tot arbeidsparticipatie heeft. Uit het eindrapport van het re-integratietraject komt naar voren dat er in de (nabije) toekomst zicht op is dat appellant inkomsten kan verwerven. Appellant heeft onder begeleiding van het re-integratiebedrijf een aanvang gemaakt met het opstarten van een eigen bedrijf. Er is een starterlening aangevraagd en een plan van aanpak gemaakt. Als het eigen bedrijf van appellant onvoldoende succesvol blijkt te zijn, zal appellant begeleid worden naar werk in loondienst. De stelling van appellant dat hij wel duurzaam arbeidsongeschikt is, dat het eindrapport te rooskleurig is en dat hij niet kan deelnemen aan het arbeidsproces, is niet nader onderbouwd. Dat appellant een indicatie voor dagbesteding in het kader van de WMO zou hebben gekregen, is daarvoor onvoldoende. Verder is van belang dat ook sprake is van arbeidsparticipatie in de zin van de Wajong 2010 als de arbeid wordt verricht met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.

5. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het beroep tegen het besluit van 3 mei 2017 ongegrond is. Gezien het gestelde in 4.2 bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.536,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.


(getekend) E. Dijt

(getekend) R.H. Budde


md