Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
17/1365 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:865, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor medicinale cannabis. Zorgverzekeringswet moet worden aangemerkt als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1365 PW

Datum uitspraak: 5 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 februari 2017, 16/6141 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Voor appellant is

mr. De Jonge verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M. van Marrewijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 14 december 2015 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van het gebruik van medicinale cannabis voor pijnbestrijding. Op 9 maart 2016 heeft een arts van de GGD Rotterdam-Rijnmond daarover aan het college advies uitgebracht. Daarin is vermeld – voor zover hier van belang – dat sprake is van verstoring van functies en anatomische eigenschappen, dat de aandoening van blijvende aard is en dat een medische indicatie bestaat voor de gevraagde voorziening.

1.2.

Bij besluit van 8 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant een beroep kan doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (PW), namelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat er geen zeer dringende redenen zijn als bedoeld in

artikel 16, eerste lid, van de PW om toch bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de medicinale cannabis geen geneesmiddel is en daarom niet binnen de reikwijdte van de Zvw valt. Hij heeft daarbij aangevoerd dat medicinale cannabis niet op de lijst van te vergoeden geneesmiddelen voorkomt. Hij doelt daarmee op de lijst die is opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling Zorgverzekering als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van die regeling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW, bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3779) zijn de prestaties en vergoedingen op grond van de Zvw voor medische en paramedische kosten aan te merken als aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. In deze regelgeving is in het algemeen een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten.

4.3.

Vaststaat dat het gebruik van medicinale cannabis voor appellant is bedoeld als aanvulling op de reguliere medische behandeling en is geïndiceerd in het kader van pijnbestrijding en problemen met zijn spieren. Het gebruik ervan is voorgeschreven door een arts. Gelet hierop zijn de kosten van de door appellant gebruikte medicinale cannabis aan te merken als kosten van medische zorg. Daarvoor geldt de Zvw als voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW.

4.4.

De beroepsgrond dat medicinale cannabis geen geneesmiddel is omdat het enkel dient ter bestrijding van pijn en om die reden buiten de reikwijdte van de Zvw valt, slaagt niet. Dat medicinale cannabis geen geneesmiddel is laat, wat er ook zij van deze stelling, onverlet dat het middel in het kader van de medische zorg voor appellant aan hem is voorgeschreven. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat dit middel valt binnen de reikwijdte van de Zvw.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij feitelijk de medicinale cannabis niet vergoed krijgt, omdat dit middel niet is opgenomen in de lijst van te vergoeden geneesmiddelen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat medicinale cannabis niet wordt vergoed op grond van de Zvw, zodat appellant feitelijk geen beroep kan doen op de voorliggende voorziening is, zoals niet in geschil is, het gevolg van een bewuste keuze die de wetgever in het kader van de Zvw heeft gemaakt om de kosten voor medicinale cannabis als niet noodzakelijk te vergoeden kosten te beschouwen. Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW staat dan ook aan bijstandsverlening in de weg.

4.6.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis, zodat het college de betreffende aanvraag terecht heeft afgewezen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Wat onder 4.7 is overwogen brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is. Het verzoek van appellant daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en Y.J. Klik en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) P.B. van Onzenoort

JL