Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/4518 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4518 WIA

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 mei 2017, 16/2782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als spuiter voor 40,19 uur per week. Hij heeft zich op

24 juli 2013, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten. Op 28 april 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het kader van de beoordeling is appellant op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv op 28 september 2015 onderzocht door psychiater H. Kondakçi. De verzekeringsarts heeft vervolgens met inachtneming van de bevindingen van de psychiater de beperkingen van appellant opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

4 december 2015. Een arbeidsdeskundige heeft daarop voor appellant geschikte functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Bij besluit van 10 december 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 juli 2015 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van een door appellant overgelegde verklaring van psychiater H.A. Pronk-Verweij van 1 april 2016 en de FML op 25 juli 2016 bijgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zoals blijkt uit zijn rapport van 31 juli 2016 op basis van deze gewijzigde FML enkele van de voorgehouden functies laten vervallen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is opnieuw berekend met gebruikmaking van de overgebleven functies en minder dan 35% gebleven. Bij beslissing op bezwaar van 2 augustus 2016 (bestreden besluit) is het door appellant tegen het besluit van 10 december 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML van 25 juli 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep veel belang mogen hechten aan de bevindingen van Kondakçi. De rechtbank heeft in de informatie van psychiater F. Kaya van 28 maart 2014 en Pronk-Verweij van 1 april 2016 geen aanknopingspunten gezien om de verzekeringsgeneeskundige conclusie in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn psychische beperkingen te licht heeft ingeschat. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte meer waarde heeft gehecht aan het standpunt van de door het Uwv ingeschakelde psychiater Kondaçi dan aan de door hem in bezwaar overgelegde informatie van psychiater Pronk-Verweij. Appellant heeft aangevoerd dat het onderzoek door Kondaçi slechts kort heeft geduurd en dat deze psychiater niet onafhankelijk is. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies ongeschikt omdat hij moeite heeft met autoriteit en niet onder leiding kan werken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant per 22 juli 2015 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. De in hoger beroep aangevoerde gronden die ook reeds in beroep zijn aangevoerd, zijn door de rechtbank in de aangevallen uitspraak op juiste wijze besproken en beoordeeld. Volstaan wordt met een verwijzing hiernaar.

4.3.

In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of er aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan opgenomen in de FML van 25 juli 2016. De FML is mede opgesteld op basis van de bevindingen van Kondaçi, dat bij appellant beperkingen ten aanzien van emotionele draagkracht, frustratietolerantie, conflicthantering, hoge werkdruk/piekbelasting, bestandheid tegen kritiek en hanteren van emotionele problemen van anderen aannemelijk zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML vastgesteld dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is en waarbij geen sprake is van een verhoogd persoonlijk risico. Appellant wordt beperkt geacht ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen, het uiten van eigen gevoelens, conflicten hanteren met agressieve of onredelijke mensen, samenwerken, rechtstreeks contact met klanten, direct contact met patiënten of hulpbehoevenden en leidinggevende aspecten in het werk.

4.4.

Appellant heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt dat in de FML van 25 juli 2016 onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische beperkingen, een beroep gedaan op de informatie van Pronk-Verweij van 1 april 2016. De brief biedt daarvoor echter onvoldoende aanknopingspunten. In de brief van Pronk-Verweij is vermeld dat bij appellant sprake is van een ernstige vorm van een depressie, dat hij matig belastbaar is en niet in een drukke omgeving kan functioneren. Er zijn aan appellant geen geboden of verboden opgelegd maar als appellant in staat is om te werken dan moet er rekening worden gehouden met zijn beperkte belastbaarheid en beperkte prikkelverwerking. Hierin zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan het onderbouwde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen van appellant. De Raad ziet daarom geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen wordt geoordeeld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, ten tijde van de datum in geding, 22 juli 2015, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 31 juli 2016 en 10 oktober 2016 afdoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.

4.6.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) P.B. van Onzenoort

VC