Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/2395 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Dit besluit kan op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand blijven. Het Uwv zal zich nader moeten beraden over de functionele mogelijkheden van appellant en zijn aanspraak op een WAO-uitkering per einde wachttijd. Nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0662
AB 2019/346 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2395 WAO

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2017, 16/542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in juli 2002 door schouderklachten na een ongeval uitgevallen voor werk als schoonmaker in een verpleeghuis. Het Uwv heeft bij besluit van 31 juli 2003 geweigerd om appellant met ingang van 23 juli 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 mei 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 augustus 2005 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 13 juli 2007 bevestigd.

1.2.

Namens appellant heeft een maatschappelijk werkster van Mentrum met een brief van 11 juli 2013 verzocht om een herbeoordeling van appellants recht op een WAO-uitkering, omdat in 2003 latente psychische problematiek aanwezig geweest moet zijn. In verband met deze aanvraag heeft appellant een verklaring van psychiater L. Tuin van Mentrum van 12 december 2013 ingebracht waarin deze psychiater heeft vermeld dat appellant vanaf aanvang van de behandeling in 2005 een psychotisch toestandsbeeld heeft met chronische akoestische hallucinaties. Bij besluit van 20 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat geen sprake is van dezelfde klachten binnen 5 jaar na de weigeringsdatum. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft het Uwv bij brief van 20 november 2014 verzocht om hem alsnog een WAO-uitkering met ingang van 23 juli 2003 toe te kennen, omdat destijds niet is onderkend dat toen al sprake was van psychisch lijden, dat bij hem in 2005 schizofrenie is vastgesteld en dat aan deze ziekte een zogenoemde prodromale fase voorafgaat. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft appellant een verklaring van zijn huisarts van 7 oktober 2014 ingebracht waarin is vermeld dat een eerste psychotische episode, zoals bij appellant in 2005, wordt voorafgegaan door een prodromale fase waarin de eerste voortekenen van de ziekte zich ontwikkelen en waarin sprake kan zijn van sociale terugtrekking, aantrekking tot magische theorieën, dysforie en middelenmisbruik. De huisarts heeft voorts vermeld dat in de verslaglegging door de toenmalige huisarts van 2001 tot 2005 verschillende kenmerken van een prodromale fase zijn te herkennen.

1.4.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant heeft een verzekeringsarts van het Uwv dossierstudie verricht. In een rapport van 15 juni 2015 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat uit de ingebrachte informatie niet evident blijkt dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn waardoor aanleiding is om terug te komen van de besluiten van 31 juli 2003 en/of 20 januari 2014. Volgens de verzekeringsarts werpt de informatie van de huisarts geen ander licht op de belastbaarheid van appellant op het beoordelingsmoment in 2003.

1.5.

Het Uwv heeft bij besluit van 16 juni 2015 besloten om niet terug te komen van de besluiten van 31 juli 2003 en 20 januari 2014 omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die ertoe leiden dat deze beslissingen onjuist zijn.

1.6.

Appellant heeft in bezwaar tegen dit besluit een rapport van dr. mr. drs. D.S. Rambocus, arts en jurist/medisch adviseur bij Leximed Letselschade, van 1 oktober 2015 ingebracht waarin onder meer is gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts de psychische klachten, met name de schizofrene klachten, niet heeft beoordeeld.

1.7.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht op basis van dossierstudie en is appellant gezien tijdens de hoorzitting. Een op de hoorzitting door appellant overgelegde brief van zijn huisarts van 19 november 2015 is bestudeerd. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van 11 december 2015 onder meer gesteld dat tijdens de beoordeling in juni 2003 geen psychopathologische verschijnselen zijn waargenomen, dat appellant toen op een medisch vragenformulier de vraag of hij psychische klachten heeft met ‘nee’ heeft beantwoord, in het onderzoeksverslag geen melding is gemaakt van een psychiatrische diagnose en in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2003 geen psychische beperkingen zijn aangenomen. In de bezwaarfase in 2004 en in de beroepsfase in 2005 is geen psychische problematiek naar voren gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat, als een ziekte latent aanwezig is en zich nog niet in beperkingen heeft gemanifesteerd, er geen reden is om beperkingen aan te nemen. Appellant is daarom niet toegenomen beperkt en niet toegenomen arbeidsongeschikt door dezelfde ziekteoorzaak met ingang van 1 juli 2005.

1.8.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 14 december 2015 (bestreden besluit), onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep desgevraagd in een rapport van 6 juni 2016 nader toegelicht dat de verzekeringsarts in 2003 geen aanwijzingen heeft gezien voor psychopathologie en dat onduidelijk is waarop de mededelingen van de psychiater en de huisarts zijn gebaseerd, nu er er geen gedocumenteerd onderzoeksverslag van de huisarts of de psychiater is dat betrekking heeft op 2003.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het rapport van Rambocus geen nieuw feit is op grond waarvan het besluit van 31 juli 2003 of het besluit van 20 januari 2014 moet worden herzien. Bij het psychisch onderzoek in 2003 zijn geen afwijkingen gevonden en waren er geen andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Het rapport van Rambocus biedt volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat bij appellant op 23 juli 2003 al verschijnselen van schizofrenie aanwezig waren en dat het Uwv daarin aanleiding had moeten zien om als gevolg daarvan beperkingen aan te nemen. Daarnaast zijn de klachten van appellant naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard. Hij heeft betoogd dat het rapport van Rambocus wel een nieuw feit is op grond waarvan kan worden teruggekomen op de eerdere besluitvorming. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een nader rapport van Rambocus van 11 april 2016 ingebracht waarin Rambocus met name heeft herhaald dat het Uwv niet op een zorgvuldige wijze onderzoek heeft gedaan naar de prodromale verschijnselen en de daaruit voor appellant voortvloeiende beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft zich ook in hoger beroep, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juni 2017, op het standpunt gesteld dat appellant in 2003 geen psychische klachten had en dat er toen geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is beperkt tot de beantwoording van de vraag of de door appellant ingebrachte informatie kan worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel luidt als volgt:

“1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw geleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd (zie de uitspraak van de Raad van 12 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3018).

4.3.

Uit informatie van behandelaars van appellant blijkt dat er vanaf 2005 psychiatrische problematiek aan de orde is. In deze procedure is voor het eerst naar voren gebracht dat de klachten van appellant in 2003 in het licht van een prodromale fase voorafgaand aan het zich manifesteren van schizofrenie gezien moeten worden.

4.4.

De beoordeling in 2003, die ten grondslag ligt aan het besluit van 31 juli 2003, is het uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of in deze zaak nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aanwezig zijn.

4.5.1.

Op het medisch vragenformulier voor de verzekeringsarts heeft appellant de vraag of sprake is van psychische klachten weliswaar met “nee” beantwoord, maar hij heeft de vraag of sprake is van overspannenheid of depressie met “ja” beantwoord, waarbij hij het jaar 2002 heeft vermeld. In het rapport van de verzekeringsarts van 16 juni 2003 zijn als diagnoses posttraumatische tendinitis crepitans en misbruik van middelen vermeld. Verder is in dit rapport onder meer te lezen dat appellant bekend is met misbruik van genotmiddelen en hij al meer dan zes jaar fors gebruikt, veel pijnstillers neemt, met de cocaïne is gestopt (“werd er gek van”), twee pakjes shag per week en dagelijks wiet gebruikt en bier, mix en sterke drank door elkaar drinkt, minstens tien eenheden per dag.

4.5.2.

Appellant heeft in een brief van 14 juli 2003 aan de verzekeringsarts vermeld dat hij in de war is, niet in slaap kan vallen, erg moe is en gek wordt van de tabletten slikken.

4.5.3.

In het rapport van de arbeidskundige van 28 juli 2003 wordt vermeld dat appellant niet kan schrijven en slechts een beetje kan lezen. Verder is in dit rapport te lezen:

“Bij binnenkomst valt een sterke alcohollucht op en blijkt hij nerveus. Als ik hem (…) vraag wat hem zo nerveus maakt, komen de tranen, gevolgd door een enorme huilbui waarbij hij alle registers opentrekt. Gedurende een uur wisselt hij permanent van stemmingen waarbij hij op luide toon acteert en een stuk theater opvoert gevolgd door heftige emotionele huilpartijen en wanhoopskreten tot schreeuwens toe. (…) Hij heeft zich gestort op drank, cocaïne en andere geestverruimende middelen doch hij stelt dat dat allemaal niet geholpen heeft. (…) Hij ziet geen perspectief meer (…) Hij opent een glazen pot waarin hij stukken haar heeft opgeborgen. (…) Hij draagt een plastic zakje bij zich, waarin hij wat harde stukjes die uit zijn voet zijn gekomen, bewaart.”

4.6.

Verder is in het verslag van de hoorzitting van 21 mei 2004 vermeld dat namens appellant is medegedeeld dat de lichamelijke klachten van appellant hebben geleid tot psychische klachten.

4.7.

Uit wat is weergegeven onder 4.5 blijkt, met name uit de stukken uit 2003, dat het gedrag van appellant in 2003 op zijn minst afwijkend en ontregeld is geweest, dat appellant veel middelen gebruikte, dat hij erover heeft geklaagd dat hij in de war was en dat hij in 2002 last had van overspannenheid en depressie. Destijds is het gedrag van appellant niet beschouwd als mogelijk symptoom van een zich ontwikkelende stoornis en zijn de psychische klachten als reactie op de lichamelijke klachten aangemerkt. Ter zitting is door appellant naar voren gebracht dat hij in die tijd zijn klachten zelf ontkende. De informatie van de huisarts van 7 oktober 2014 en het rapport van Rambocus van 1 oktober 2015 werpen een nieuw licht op dit gedrag van appellant en de aanwezigheid van psychische klachten in 2003 en daaruit voortvloeiende beperkingen. Met de nu bekend zijnde gegevens kan het standpunt van het Uwv dat de ingebrachte informatie niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb is aan te merken omdat de verzekeringsartsen in 2003 geen aanwijzingen voor (beperkingen voortvloeiend uit) psychopathologie hebben gezien, daarom niet worden gevolgd. Het Uwv dient alsnog te beoordelen of, uitgaande van een mogelijke voorfase van schizofrenie, voldoende beperkingen in de FML van 16 juni 2003 zijn opgenomen.

4.8.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust en dat dit besluit op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. Het Uwv zal zich nader moeten beraden over de functionele mogelijkheden van appellant en zijn aanspraak op een WAO-uitkering per einde wachttijd.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Ter zitting hebben partijen ingestemd met deze afdoeningswijze.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep in verband met de indiening van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting (2 punten) en € 1.024,- in hoger beroep voor de indiening van een hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting (2 punten), in totaal € 2.048,-. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de door van appellant ingeschakelde deskundige Rambocus komt voor vergoeding in aanmerking. Ter zitting is overeengekomen dat uitgegaan kan worden van vijf uur tegen de daarvoor geldende vergoeding per uur. De vergoeding bedraagt
daarom vijf maal € 116,09, in totaal € 580,45.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 december 2015;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming

van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.628,45;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) P.B. van Onzenoort

VC