Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/467 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 467 WIA

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 december 2016, 16/4353 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Voor appellante is

mr. Van Putten verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk gewerkt als restauratief medewerker voor twintig uur per week. Op 21 januari 2013 heeft zij zich ziek gemeld met pijnklachten en vermoeidheid bij status na borstkanker links in 2007. Appellante is daarnaast bekend met psychische klachten, COPD en chronisch hartfalen.

1.2.

Op 2 december 2015 heeft een verzekeringsarts van het Uwv onderzoek verricht, bij appellante beperkingen vastgesteld en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 december 2015. Een arbeidsdeskundige heeft met inachtneming van deze FML voor appellante geschikte functies geselecteerd en een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 26,27%. Bij besluit van 22 december 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij met ingang van 18 januari 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 2 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2016 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 juni 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. In de door appellante ingebrachte stukken, waaronder een Arbeidskundig Re-integratie Onderzoek van Paspast, een arbeidsgeneeskundig rapport van Ergatis en informatie van haar cardioloog en longarts, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellante dat haar beperkingen, in het bijzonder ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico, zijn onderschat. De omstandigheid dat appellante in de FML zoals die opgesteld is in het kader van haar re-integratie op bepaalde aspecten meer beperkt is geacht, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Hiertoe heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat een FML die is opgesteld om de re-integratiemogelijkheden van een betrokkene in kaart te brengen een ander doel heeft dan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank zich ook kunnen vinden in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de artsen van het Uwv haar beperkingen te licht hebben ingeschat. De artsen van het Uwv hebben onvoldoende gewicht toegekend aan het onderbouwde standpunt van haar bedrijfsarts dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) heeft appellante aangevoerd dat er voldoende grondslag is om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen voor een onderzoek. Tot slot heeft zij aangevoerd dat zij zich niet in staat acht om de geselecteerde functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Getoetst dient te worden in drie stappen, te weten: 1. Zorgvuldigheid van de besluitvorming, 2. Equality of arms, en 3. Inhoudelijke beoordeling.

4.2.

Gelet op het verhandelde ter zitting moet het beroep van appellante op het arrest Korošec zo worden begrepen dat volgens appellante weliswaar voldoende gelegenheid is geboden (en feitelijk ook gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om) tegenbewijs in te brengen (stap 2), maar dat de ingebrachte medische informatie een zodanige twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit oproept dat niet wordt voldaan aan de derde in de uitspraak van 30 juni 2017 genoemde stap (inhoudelijke beoordeling). Inschakeling van een deskundige is volgens appellante daarom aangewezen.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. Bij hun beoordeling hebben de artsen van het Uwv naast hun eigen onderzoeksbevindingen de beschikbare medische informatie van de behandelend sector betrokken. Ook waren de artsen van het Uwv op de hoogte van de visie van de bedrijfsarts en van de inhoud van de rapporten die zijn opgesteld in het kader van het re-integratieonderzoek.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De artsen van het Uwv hebben appellante vanwege haar chronische aandoeningen aangewezen geacht op fysiek lichte en weinig stresserende werkzaamheden, waarbij met name de cardiale situatie aanleiding is geweest voor een urenbeperking tot vier uur per dag en twintig uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er geen reden is om een beperking voor persoonlijk risico aan te nemen omdat bij appellante geen sprake is van een verminderde alertheid of een verminderd inschattings- en reactievermogen. Daarnaast is toegelicht waarom er geen argumenten zijn om de bedrijfsarts te volgen in het standpunt dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Appellante voldoet niet aan de indicaties om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Bij appellante is ook geen sprake van een ernstige psychiatrische stoornis. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. De Raad voegt daar aan toe dat uit het arbeidsgeneeskundig rapport van Ergatis van 29 januari 2014 niet blijkt dat appellante ten aanzien van werktijden meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv is er geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige, zoals door appellante verzocht.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.7.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) W.M. Swinkels

VC