Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
16/7275 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanvraag van appellante bij brief van 9 januari 2015 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Tevens betreft het een verzoek of op grond van de Amber-regeling aanspraak bestaat alsook een verzoek om herziening voor de toekomst. Terecht oordeel rechtbank dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De overgelegde informatie uit 2015 heeft geen betrekking op het moment waarop de beëindiging van de WAO-uitkering plaatsvond. Ook heeft deze informatie geen betrekking op de eerdere besluitvorming over de Amber-periode. De verklaring van de bedrijfsarts is niet met medische gegevens onderbouwd en deze verklaring ziet niet op de perioden hier in geding. Het bestreden besluit is niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7275 WAO

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

17 oktober 2016, 16/1234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.T. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster en heeft zich op

22 februari 2001 ziek gemeld wegens psychische klachten. Aan appellante was een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 februari 2002. Bij besluit van 4 december 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 februari 2004 ingetrokken omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat bij beslissing op bezwaar van 15 juli 2005 ongegrond is verklaard. Het beroep van appellante tegen dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 24 februari 2006 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij brief van 12 november 2009 heeft appellante verzocht om herziening van de eerdere weigering om haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij zich tot op heden – nog steeds – volledig arbeidsongeschikt acht. Ook heeft zij het Uwv verzocht te beoordelen of aanleiding bestaat haar een WAO-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid na 2 februari 2004. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 juli 2012 heeft de Raad het standpunt van het Uwv bevestigd dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderende omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken door de intrekking van de WAO-uitkering per 2 februari 2004 te handhaven. Voorts heeft het Uwv zorgvuldig gemotiveerd dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO.

1.3.

Bij brief van 9 januari 2015 heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht om haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Onder overlegging van een verklaring van 12 juni 2015 van de reumatoloog heeft appellante vermeld dat bij haar de ziekte van Behcet, een auto-immuunziekte, gediagnosticeerd is. Zij acht zich hierdoor volledig arbeidsongeschikt. In verband met deze diagnose heeft appellante het Uwv verzocht te bezien of op grond van de Amber-wetgeving aanleiding bestaat haar opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen.

1.4.

Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 4 december 2003 en als een verzoek om de Amber-aanspraken te beoordelen in de vijfjaarsperiode na 2 februari 2004.

1.5.

Dit verzoek is na verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij besluit van 4 augustus 2015 afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 4 december 2003 onjuist zou zijn.

1.6.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van

2 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar een rapport van 8 januari 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die van mening is dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden nu de ziekte van Behcet in 2013 is gediagnosticeerd en appellante anamnestisch heeft vermeld medio 2012 klachten daarvan te hebben. Evenmin is er in het kader van de Amber-wetgeving aanleiding om een

WAO-uitkering toe te kennen omdat de Amber-periode reeds in 2009 is verstreken voordat de klachten als gevolg van de ziekte van Behcet waren aangevangen. Er is dan ook geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 12 januari 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in de opvatting dat de nieuwe informatie van de reumatoloog geen reden is om terug te komen van de beoordeling per 2 februari 2004 omdat er geen objectieve aanwijzingen waren die erop wijzen dat de klachten als gevolg van de ziekte van Behcet eerder aanwezig waren dan in 2012. Aldus is er sprake van een nieuwe ziekte die medio 2012 is aangevangen. Deze informatie van de reumatoloog betreft geen nieuw feit dat voorheen niet bekend was of had kunnen zijn en kan dan ook niet worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Nu de klachten zich eerst medio 2012 hebben gemanifesteerd en gelegen zijn na het verstrijken van de Amber-periode en de klachten bovendien het gevolg zijn van een nieuwe ziekte, heeft het Uwv terecht geweigerd om met toepassing van de Amber-regeling opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante ter ondersteuning van haar standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van de ziekte van Behcet, een verklaring van een bedrijfsarts overgelegd. Deze heeft, na appellante op het spreekuur te hebben gezien en gesproken op

29 november 2016, geconcludeerd dat appellante functionele beperkingen op basis van ziekte of gebrek heeft op grond waarvan appellante in aanmerking voor een WAO-uitkering zou kunnen komen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat nu de informatie van de reumatoloog na de beoordelingen van het Uwv ligt, er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De verzekeringsarts heeft onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd waarom de aanvangsperiode waarop de klachten als gevolg van de ziekte van Behcet zich voor het eerst hebben gemanifesteerd, medio 2012 ligt, temeer nu de verzekeringsarts zelf ook heeft vermeld dat medio 2012 arbitrair is vastgesteld. De rechtbank had van deze weinig concrete motivering van de verzekeringsartsen niet uit mogen gaan. Tot slot heeft het Uwv volgens appellante niet vastgesteld wanneer de in artikel 43a, eerste lid onder b, van de WAO genoemde wachttijd tot een einde is gekomen, aangezien in dit artikellid genoemd is dat vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd aanspraak op een WAO-uitkering kan bestaan.

3.2.

Het Uwv heeft in reactie op de hogerberoepsgronden vermeld dat de brief van de bedrijfsarts geen reden is om het standpunt te wijzigen. Aan de verklaring ligt geen medische onderbouwing ten grondslag noch blijkt dat deze verklaring ziet op de periode in geding. In reactie op de laatste grond heeft het Uwv vermeld dat de wachttijd als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO is verstreken op 21 februari 2002 waarna appellante een WAO-uitkering is toegekend. Dit betekent dat dit gedeelte van het artikellid niet op appellante van toepassing is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich bij het bestreden besluit terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb blijft onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.4.

De aanvraag van appellante bij brief van 9 januari 2015 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, die ertoe strekt dat wordt teruggekomen van het besluit van 4 december 2003. Tevens betreft het een verzoek om gelet op de overgelegde informatie, na te gaan of op grond van de Amber-regeling aanspraak bestaat op een WAO-uitkering

alsook een verzoek om herziening voor de toekomst.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante bij haar aanvraag van

9 januari 2015, voor zover deze ertoe strekt terug te komen van het besluit van

4 december 2003, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben gemotiveerd uiteengezet dat de door appellante overgelegde informatie uit 2015 van de reumatoloog en de huisarts niet als zodanig aan te merken is, omdat het geen feiten en omstandigheden betreft die betrekking hebben op het moment waarop de beëindiging van de WAO-uitkering plaatsvond. Evenmin heeft deze informatie betrekking op de eerdere besluitvorming over de Amber-periode omdat deze informatie niet ziet op een moment binnen de vijfjaarsperiode, waarvan het einde in 2009 was verstreken. Dat de verzekeringsarts de datum waarop voor het eerst de klachten zijn aangevangen arbitrair op medio 2012 heeft vastgesteld, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is. Het is aan appellante om haar verzoek te onderbouwen. Uit de door appellante overgelegde en aan haar verzoek ten grondslag liggende stukken, is niet af te leiden dat de aanvang van deze klachten eerder ligt dan medio 2012.

4.6.

Appellante is van mening dat de in hoger beroep overgelegde brief van de bedrijfsarts nieuwe feiten en omstandigheden bevat die aanleiding geven tot herziening van het besluit van 4 december 2003. Daargelaten dat volgens vaste rechtspraak van de Raad met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht geen rekening kan worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9529), heeft het Uwv in zijn verweer van 27 januari 2017 terecht opgemerkt dat de verklaring van de bedrijfsarts niet met medische gegevens is onderbouwd. Voorts blijkt niet dat deze verklaring ziet op de perioden hier in geding.

4.7.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De in appellantes verzoek vermelde klachten en in het dossier aanwezige medische gegevens bieden geen onderbouwing voor het standpunt van appellante dat destijds evident onjuiste besluiten zijn genomen.

4.8.

Voor zover het verzoek dient te worden opgevat als een verzoek om herziening voor de toekomst, wordt overwogen dat in wat door appellante is aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft besloten om, ook voor de toekomst, niet terug te komen van het besluit van 4 december 2003 en van het besluit van 12 januari 2010.

4.9.

Uit wat hiervoor is overwogen, vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

20 februari 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.D. Alting Siberg

ew