Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/997 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tot heropening van de WIA-uitkering. Appellant heeft niet alsnog aan zijn inlichtingenplicht voldaan en heeft ook niet aangetoond dat hij hier niet aan kan voldoen. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 997 WIA

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 december 2016, 15/5138 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 15 maart 2010 is appellant in aanmerking gebracht voor een

uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar aanleiding van een melding van de Politie Flevoland, waaruit zou volgen dat appellant als woningbemiddelaar inkomsten heeft ontvangen, heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WIA-uitkering.

1.2.

Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

24 oktober 2013 de betaling van de WIA-uitkering van appellant met ingang van

1 november 2013 opgeschort. Bij besluit van 18 november 2013 heeft het Uwv de

WIA-uitkering van appellant met ingang van 15 maart 2010 ingetrokken omdat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek van het Uwv om de benodigde gegevens te leveren. Daardoor kon het recht op WIA-uitkering niet vastgesteld worden. Tevens heeft het Uwv bij dat besluit over de periode van 15 maart 2010 tot en met 31 oktober 2013 een bedrag van € 83.012,87 aan ten onrechte aan appellant betaalde WIA-uitkering van hem teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de

besluiten van 24 oktober 2013 en 18 november 2013 ongegrond verklaard. Op

30 september 2014 heeft de Rechtbank Noord-Holland het beroep van appellant tegen het besluit van 17 maart 2014 ongegrond verklaard (zaaknummer 14/1746). Bij uitspraak van

3 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2097) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4.

Op 25 oktober 2014 heeft appellant bij het Uwv een heraanvraag ingediend. Bij besluit

van 11 december 2014 heeft het Uwv deze aanvraag geweigerd omdat deze beoordeling al eerder heeft plaatsgevonden en appellant eerst alsnog de opgevraagde gegevens dient aan te leveren. Appellant heeft op 18 december 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat hij meent dat de aanvraag van 25 oktober 2014 niet zag op een herziening van het besluit van

18 november 2013, maar uitsluitend op de heropening van de WIA-uitkering per

25 oktober 2014.

1.5.

Bij besluit van 15 januari 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit

van 11 december 2014 gegrond verklaard. Het Uwv zal alsnog een beslissing dienen te nemen over de aanvraag om de heropening van de uitkering per 25 oktober 2014.

1.6.

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft het Uwv deze aanvraag geweigerd omdat heropening

alleen aan de orde kan zijn als appellant alsnog aan de verplichting tot het geven van de nodige inlichtingen voldoet. Bij besluit van 8 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Overwogen is dat op grond van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) de uitkering niet eerder wordt hervat dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Nu met betrekking tot het verzoek om heropening van de uitkering per 25 oktober 2014 geen nieuwe nadere informatie is verstrekt, dient de aanvraag met toepassing van de Beleidsregels te worden afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant inmiddels aan zijn verplichting tot het verstrekken van de nodige inlichtingen heeft voldaan en dat niet is onderbouwd dat appellant hier niet aan zou kunnen voldoen. Daarmee is het Uwv terecht niet overgegaan tot heropening van de WIA-uitkering en kan een toekenning voor de toekomst evenmin plaatsvinden. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat van materiële of immateriële schade niet is gebleken. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep uitsluitend gronden aangevoerd tegen de

ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank. Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit ongemotiveerd is omdat de verklaringen van [naam] een rol hadden moeten spelen in de procedure. Daarnaast is appellant van mening dat het Uwv ten onrechte bij zijn besluitvorming geen aandacht heeft besteed aan de heropening van de WIA-uitkering voor de toekomst. Ten slotte heeft appellant gesteld dat het Uwv in beroep niet alle relevante stukken heeft ingediend, waaronder met name verschillende verzekeringsgeneeskundige rapporten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 6 van de Beleidsregels is, voor zover hier van belang, bepaald dat een ingetrokken uitkering niet eerder wordt hervat dan de dag waarop een verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv, gelet op dit artikel, terecht de aanvraag tot heropening van de WIA-uitkering van appellant per

25 oktober 2014 heeft afgewezen. Appellant heeft niet alsnog aan zijn inlichtingenplicht voldaan en heeft ook niet aangetoond dat hij hier niet aan kan voldoen. In wat appellant heeft aangevoerd worden verder geen bijzondere omstandigheden, in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, gezien die nopen tot afwijking van dit consistent toegepaste beleid.

4.2.

Met betrekking tot de gronden van appellant over de verklaringen van [naam] , het

beroepschrift van 23 oktober 2014 in de procedure bij de Raad met zaaknummer 14/5893, en het ontbreken van de stukken van laatstgenoemde zaak in de onderhavige procedure wordt overwogen dat dit niets afdoet aan wat is overwogen in 4.1. De Raad heeft in zijn uitspraak van 3 juni 2016 reeds geoordeeld dat, ondanks deze informatie, het recht van appellant vanaf 15 maart 2010 niet meer kan worden vastgesteld. Het opnieuw inbrengen van deze informatie kan niet leiden tot de conclusie dat appellant inmiddels aan de inlichtingenplicht heeft voldaan.

4.3.

Appellant heeft verder in hoger beroep aangevoerd dat er geen

verzekeringsgeneeskundige stukken in het dossier aanwezig zijn. Het Uwv heeft echter terecht aangevoerd dat deze stukken niet relevant zijn, nu het bestreden besluit ziet op het niet voldoen aan de verplichting tot het verstrekken van de nodige inlichtingen.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet

slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.R. Trox

md