Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
17/271 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling of aan werkloosheid dringende reden ten grondslag ligt, verwijzing naar uitspraak van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3467). Rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Aan de niet onderbouwde stelling van appellant betreffende nevenwerkzaamheden van collega’s zal worden voorbij gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 271 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 november 2016, 15/7976 en 16/87 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van de Wetering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 december 2007 in dienst getreden van de [naam werkgeefster] (werkgeefster) en werkte in de functie van [naam functie] bij de vestiging in [vestiging 1] . Bij verzoekschrift van 23 september 2013 heeft werkgeefster de kantonrechter van de rechtbank Den Haag verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen haar en appellant. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 5 december 2013. De kantonrechter achtte de kritiek op het functioneren van appellant weliswaar gegrond, maar was van oordeel dat appellant van de zijde van de werkgeefster onvoldoende hulp was gegeven om zich te verbeteren.

1.2.

Naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter van 5 december 2013 is appellant per 16 december 2013 overgeplaatst naar de vestiging in [vestiging 2] en zijn er concrete werkafspraken met hem gemaakt.

1.3.

Appellant heeft zich op 23 juni 2014 ziek gemeld met rugklachten. Omdat het contact met appellant tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid eenzijdig verliep, heeft werkgeefster aan Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmann) opdracht gegeven tot een onderzoek naar de gedragingen van appellant. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek heeft werkgeefster besloten de arbeidsovereenkomst met appellant te willen beëindigen. Bij brief van 7 november 2014 heeft werkgeefster dit aan appellant meegedeeld en per diezelfde datum de loonbetaling gestaakt. Appellant heeft op 10 december 2014 een deskundigenoordeel aangevraagd. Volgens het deskundigenoordeel van 19 januari 2015 is het herstelgedrag van appellant voldoende geweest, maar zijn de re-integratie-inspanningen van appellant niet voldoende geweest, omdat appellant niet is verschenen op een afspraak met werkgeefster op de vestiging in [vestiging 2] voor het bespreken van

re-integratiemogelijkheden, hoewel hij daartoe medisch gezien wel in staat was. Bij beschikking van 26 januari 2015 heeft de kantonrechter per 27 januari 2015 de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens dringende redenen.

1.4.

Bij vonnis in kort geding van 18 februari 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam werkgeefster veroordeeld tot het alsnog betalen van loon aan appellant over de periode van 7 november 2014 tot 27 januari 2015. Hiertoe heeft de kantonrechter geoordeeld dat werkgeefster appellant terecht het verwijt heeft gemaakt dat hij zonder deugdelijke grond niet heeft meegewerkt aan op zijn re-integratie gerichte maatregelen. Dit heeft echter betrekking op de periode voorafgaand aan 7 november 2014. Nu de loonsanctie is opgelegd per 7 november 2014, terwijl werkgeefster voor deze periode geen re-integratie-inspanningen meer van appellant heeft verlangd, is de loonsanctie ten onrechte opgelegd.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het Uwv appellant met ingang van 28 januari een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Werkgeefster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De ZW-uitkering is per 25 juni 2015 beëindigd op de grond dat appellant weer geschikt was voor zijn arbeid.

1.6.

Bij besluit van 8 juli 2015 is appellant per 25 juni 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 9 september 2015 is het bezwaar van werkgeefster tegen het besluit van 24 februari 2015 gegrond verklaard, omdat de ZW-uitkering blijvend geheel had moeten worden geweigerd wegens een benadelingshandeling.

1.8.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 3 augustus 2015 ingetrokken.

1.9.

Bij besluit van 26 november 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2015 ongegrond verklaard op de grond dat sprake is van een dringende reden en appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Over het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de kantonrechter materieel onderzoek heeft gedaan naar de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde feiten. Het Uwv beschikte met de beschikking van de kantonrechter van 26 januari 2015, waarbij is overwogen dat appellant oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de regeling voor zorgverlof, hij ten onrechte geen melding heeft gemaakt van door hem gestarte nevenwerkzaamheden en dat er voor appellant geen beletselen waren om te voldoen aan het verzoek van werkgeefster om de [vestiging 2] vestiging te bezoeken, over voldoende gegevens voor het oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden wegens een dringende reden. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat appellant vanwege het eerdere ontbindingsverzoek een gewaarschuwd man was. In het licht hiervan vormen de in de beschikking van de kantonrechter van 26 januari 2015 als vaststaand genoemde gedragingen voldoende onderbouwing van het standpunt van het Uwv dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door een ontslag op grond van een dringende reden. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat sprake is van zowel een objectieve als een subjectieve dringende reden. De door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden dat hij geen bijstandsuitkering ontvangt en nog geen ander werk heeft gevonden, ontnemen niet de dringendheid aan de reden. Ook is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt. Hij heeft gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit hij afleidt dat bij arbeidsongeschiktheid niet snel sprake is van een dringende reden en het enkel niet naleven van voorschriften over ziekteverzuim geen dringende reden is, tenzij bijkomende omstandigheden dit anders maken. Volgens appellant valt met het deskundigenoordeel van 19 januari 2015 en het vonnis van de kantonrechter van 18 februari 2015 een belangrijk deel van de verwijten van werkgeefster weg en is hiermee in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen rekening gehouden. Volgens appellant heeft hij wat betreft de re-integratie goed herstelgedrag getoond en valt hem van de werkloosheid niet in overwegende mate een verwijt te maken. Appellant heeft gesteld dat hij niet had kunnen en hoeven voorzien dat zijn gedrag tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid hem zo zwaar zou worden aangerekend, dat hij per 3 augustus 2015 in het geheel geen inkomen meer zou hebben.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

4.1.2.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt – voor zover hier van belang – dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend.

4.2.

In de uitspraak van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW vervolgens nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overwegingen 4.4 tot en met 4.9 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellant de stelling, dat ook collega’s zonder melding vooraf nevenwerkzaamheden verrichtten en dat werkgeefster daaraan geen gevolgen verbond, voor het eerst ter zitting en zonder nadere onderbouwing naar voren heeft gebracht, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.4.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt, hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt en, nu er geen aanwijzingen zijn dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW was gehouden appellant de WW-uitkering blijvend te weigeren met ingang van 3 augustus 2015.

4.5.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal, zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en S. Wijna en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.A.A. Traousis

VC