Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
18/1610 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling terecht niet omgezet in een vaste aanstelling. Het niet omzetten van zijn tijdelijke aanstelling naar een vaste aanstelling heeft geen oorzakelijk verband heeft met de door appellant gedane melding van een misstand en is dus niet in strijd is met artikel 2, tweede lid, onder b en/of c, van de Regeling Melden Vermoeden van een Misstand Den Haag 2015. Het niet voorzetten van de aanstelling is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1610 AW

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 februari 2018, 17/4636 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. O.M. Langemeijer en mr. E. Damstra.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij besluit van 18 maart 2015 aangesteld in de functie van [functie 1] ([functie 2] bij de afdeling [naam afdeling] van de Dienst [naam dienst] ( [dienst] ). Het betreft een tijdelijke aanstelling voor de duur van twee jaar die op 1 maart 2017 van rechtswege afloopt.

1.2.

Bij besluit van 13 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit), is appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling op grond van

artikel 8:12, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) op

1 maart 2017 van rechtswege afloopt. Het college heeft hierbij, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Appellant heeft zich in zijn functie bezig gehouden met werkzaamheden op het gebied van bijstandsuitkeringen. De reden dat aan appellant destijds een tijdelijke aanstelling is gegeven had te maken met de toename van instroom van bijstandsaanvragen als gevolg waarvan tijdelijk meer formatie nodig was. De Dienst [dienst] werkt met een flexibele schil waar veel medewerkers met een tijdelijke aanstelling werkzaam zijn. Met het oog op de bezetting van de vaste formatieplaatsen die binnen de Dienst [dienst] zijn gecreëerd, is besloten om een kwaliteitsslag te maken. Alle tijdelijke aanstellingen zijn beoordeeld op basis van de documenten uit de gesprekscyclus, waarbij gekeken is naar een achttal vooraf vastgestelde objectieve criteria. Gelet op de punten houding en gedrag in combinatie met de andere aandachtspunten, waaronder productiviteit, samenwerking als ontwikkelpunt en de mate van aansturing, is besloten om de tijdelijke aanstelling van appellant van rechtswege te laten eindigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:133) geldt daarbij wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met het geschreven of ongeschreven recht.

3.2.

Appellant heeft betoogd dat zijn tijdelijke aanstelling uitsluitend als gevolg van de door hem gedane melding van een misstand niet is omgezet in een vaste aanstelling. Dit is in strijd met artikel 2, tweede lid, van de Regeling Melden Vermoeden van een Misstand

Den Haag 2015 (regeling), waarin staat dat de melder geen nadelige gevolgen van zijn melding mag ondervinden voor zijn rechtspositie. Hij heeft hierbij verwezen naar een gesprek over het al dan niet verlengen van zijn tijdelijke aanstelling met zijn leidinggevende.

3.3.

Het college heeft zijn eerder ingenomen standpunt, zoals uiteengezet in 1.2, herhaald. Voorts heeft het college uitdrukkelijk stelling genomen tegen het betoog van appellant. Het niet omzetten van de tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling staat volgens het college volledig los van de door appellant gedane melding van een misstand.

3.4.1.

De vraag die voorligt, is of het niet omzetten van zijn tijdelijke aanstelling naar een vaste aanstelling een oorzakelijk verband heeft met de door appellant gedane melding van een misstand en dus in strijd is met artikel 2, tweede lid, onder b en/of c, van de regeling. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Het college heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd inzicht gegeven in de besluitvorming over de tijdelijke aanstelling, in het ontstaan van vaste formatie binnen de Dienst [dienst] , in de criteria aan de hand waarvan alle medewerkers met een tijdelijke aanstelling zijn beoordeeld en de overwegingen waarom dit in het geval van appellant niet heeft geleid tot het omzetten naar een vaste aanstelling. Het college heeft daarnaast naar voren gebracht dat appellant, hoewel er aandachtspunten waren, op zichzelf beschouwd voldoende heeft gefunctioneerd. Het college had, de aandachtspunten mede in ogenschouw genomen, echter onvoldoende vertrouwen dat appellant de kwaliteitsslag kan maken naar een andere manier van werken die van de medewerkers wordt verwacht in een veranderde werkomgeving.

3.4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitlating van zijn leidinggevende, dat appellant te gevoelig zou zijn voor integriteit de echte reden was van het besluit over het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling. De leidinggevende heeft gemotiveerd betwist een dergelijke uitlating te hebben gedaan. Onder verwijzing naar wat is overwogen in 3.4.1 kan een verklaring van de leidinggevende als getuige ter zitting van de Raad redelijkerwijs niet leiden tot een andere beoordeling van de zaak. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het verzoek van appellant om zijn leidinggevende op te roepen als getuige te honoreren. Wat betreft het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om zijn leidinggevende op te roepen als getuige, wijst de Raad op het volgende. De beslissing inzake het oproepen van getuigen betreft ingevolge artikel 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank heeft haar beslissing op dit punt in de uitspraak deugdelijk gemotiveerd en die motivering kan het oordeel dragen. De rechtbank heeft er in redelijkheid van kunnen afzien de leidinggevende als getuige op te roepen.

3.5.

Nu geen verplichting tot verlenging of omzetting van de aanstelling valt aan te wijzen en van strijdigheid met het geschreven en ongeschreven recht niet is gebleken, is het niet voorzetten van de aanstelling na 1 maart 2017 niet onrechtmatig te achten.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) Y. Itkal

lh