Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18/4541 APPA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorten uitbetaling Appa uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft niet voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 134a van de Appa. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4541 APPA

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H.M. Wagemans, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 10 juli 2018 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wagemans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Cruijningen en mr. drs. A.P.M. ter Voort. De behandeling ter zitting is geschorst en hervat op 11 februari 2019, alwaar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wagemans en waar het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen en

mr. drs. Ter Voort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was van maart 2002 tot in april 2006 [naam functie] in de gemeente Helmond.

Op 6 april 2010 is appellant opnieuw aangetreden als [naam functie] in de gemeente Helmond. Na zijn aftreden op 2 juli 2013 is hem een uitkering op grond van de Appa toegekend. Omdat appellant op de dag dat zijn uitkering zou eindigen arbeidsongeschikt is geacht, is de uitkering voortgezet op grond van artikel 133a van de Appa.

1.2.

Op 23 februari 2018 heeft het college van het Arrondissementsparket Oost-Brabant een kopie ontvangen van een voorlopige tenlastelegging van 2 februari 2018. Hieruit komt naar voren dat appellant, kort gezegd, ervan wordt verdacht zichzelf in de periode 22 mei 2007 tot en met 2 december 2014 op illegale wijze financieel te hebben verrijkt.

1.3.

Het college heeft uit de voorlopige tenlastelegging afgeleid dat appellant gedurende de perioden dat hij op grond van de Appa uitkeringsgerechtigd was, activiteiten heeft ontplooid waaruit hij inkomsten heeft genoten zonder dit te hebben gemeld. Het college heeft bij brief van 20 maart 2018 appellant de gelegenheid geboden een gedetailleerd overzicht te verstrekken van de vermeende inkomsten zodat aan de hand daarvan de uitkeringsaanspraken van verzoeker over de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2014 kunnen worden herberekend. Dit te verstrekken overzicht betreft in ieder geval:

a. de doorlopende afschriften van alle bank- en spaarrekeningen die (mede) op zijn naam zijn gesteld, gedurende de gehele periode;

b. een door appellant bijgehouden administratie waaruit blijkt van de bewuste betalingen;

c. een afschrift van de door Justitie verzamelde informatie met betrekking tot de bedoelde inkomsten, zoals die is gebundeld in het strafdossier.

1.4.

Bij brief van 27 maart 2018 heeft mr. Wagemans namens appellant het standpunt ingenomen dat het aanreiken van een voorlopige tenlastelegging de gestelde maatregel niet rechtvaardigt. Aangevoerd is verder dat van de verdachte in een strafzaak niet kan worden verlangd dat hij zichzelf in die strafzaak beschuldigt. Ontkend wordt dat appellant inkomsten heeft genoten in de zin van de Appa.

1.5.

De weigering van appellant om de gevraagde informatie te verstrekken is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 april 2018 toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 135, tweede lid, van de Appa en de betaling van de uitkering van appellant per direct op te schorten. Het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2018 is bij het bestreden besluit in zoverre ongegrond verklaard dat slechts de herhaalde weigering om afschriften van bank- en spaarrekeningen te verstrekken ten grondslag is gelegd aan het besluit tot opschorting van de uitkering van appellant. Daarbij is hem toegezegd dat de gevraagde informatie enkel zal worden betrokken in de besluitvorming over de uitkering van appellant.

2. Appellant heeft zich in beroep, op de hierna te bespreken gronden, tegen het bestreden besluit gekeerd.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

In artikel 134a, eerste lid, van de Appa is geregeld dat de belanghebbende verplicht is van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 134, tweede lid, terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten.

3.2.

Artikel 135, tweede lid, van de Appa schrijft voor dat de uitkering niet uitbetaald wordt zolang de belanghebbende niet of op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.

3.3.

Het college stelt zich op het standpunt dat door de verkregen informatie van het openbaar ministerie gerede twijfel is ontstaan over de vraag of appellant activiteiten heeft verricht waaruit inkomsten zijn ontvangen als bedoeld in artikel 134a van de Appa. Zo wordt appellant verweten dat hij inkomsten heeft genoten tijdens de wachtgeldperioden tussen 16 mei 2007 en 2 december 2014, waarvan hij geen melding heeft gemaakt maar waartoe appellant op grond van artikel 134a, tweede lid, van de Appa wel was verplicht. De herhaalde weigering van appellant de gegevens alsnog over te leggen heeft ertoe geleid dat de uitbetaling van de uitkering op grond van artikel 135, tweede lid, van de Appa is geschorst.

3.4.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het college in de beschikbare stukken aanleiding mocht zien om appellant te verzoeken gegevens over te leggen, teneinde te kunnen vaststellen of appellant teveel of ten onrechte wachtgeld heeft genoten.

3.5.

Het betoog dat de aan appellant opgelegde inlichtingenverplichting in dit geval leidt tot schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt niet gevolgd. Voor de Appa geldt dat de inlichtingenverplichting een noodzakelijk instrument is om de rechtmatigheid van de uitkering te kunnen vaststellen. Die verplichting brengt mee dat een betrokkene zich hieraan niet met een beroep op de waarborgen van het EVRM kan onttrekken (vergelijk de uitspraak van 11 oktober 2018, ECLI:2018:3124).

3.6.

Appellant heeft subsidiair betoogd dat, voor zover hij gehouden is gegevens over te leggen, het college in strijd heeft gehandeld met de verjaringstermijn van vijf jaar van

artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door gegevens op te vragen over een langere periode. De Raad merkt hierover op dat het bestreden besluit niet ziet op de terugvordering van de uitkering, maar op de opschorting. Artikel 3:309 van het BW heeft betrekking op de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling, waarbij het gaat om de vordering tot terugbetaling. De verjaringstermijn van dit artikel ziet daarom niet rechtstreeks op de informatieverplichting. Overigens heeft appellant in het geheel geen gegevens overgelegd, ook niet over de periode gelegen binnen de termijn van vijf jaar.

3.7.

Nu appellant niet op de voorgeschreven wijze heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 134a van de Appa, heeft het college de uitkering terecht opgeschort.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

ew