Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
16/3552 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingezetenschap. Recht op kinderbijslag. 1) Ten onrechte geen kinderbijslag over het tweede kwartaal 2015. Gezien het beleid op dit punt, moet worden aangenomen dat appellant ingezetene is gebleven tot een jaar na zijn vertrek op 24 juni 2014 naar Indonesië, zodat hij ook recht heeft op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2015. Vanaf 24 juni 2015 kan appellant niet meer aangemerkt worden als ingezetene, zodat hij vanaf het derde kwartaal van 2015 geen recht meer heeft op kinderbijslag. 2) Na terugkeer in Nederland terecht kinderbijslag toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3552 AKW, 18/1221 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 april 2016, 15/8272 (uitspraak 1) en de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2018, 17/3067 (uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.

De Svb heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Namens appellant is zijn moeder, [naam moeder] verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de gedingen 16/8137 WAJONG, 18/1932 WAJONG tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is in ieder geval tussen 1992 en 2009 in Indonesië woonachtig geweest. Hij is daar gehuwd geweest en heeft daar kinderen gekregen. Begin februari 2009 is appellant weer naar Nederland teruggekeerd. Met een besluit van

19 augustus 2011 is aan hem voor twee kinderen ([namen kinderen]) kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2011. Appellant is op 24 juni 2014 naar Indonesië vertrokken. Op 28 oktober 2014 heeft zijn moeder, die tevens zijn gemachtigde is, de Svb gemeld dat appellant vanaf juli 2014 weer in Indonesië is om voor zijn kinderen te zorgen. Gebleken was namelijk dat hun moeder niet meer voor hen zorgde. Appellant probeerde in Indonesië de papieren bijeen te krijgen om zijn kinderen mee naar Nederland te kunnen nemen. Met een besluit van 3 juni 2015 heeft de Svb appellant laten weten dat hij vanaf het tweede kwartaal van 2015 geen recht meer heeft op kinderbijslag. Hij woonde en werkte niet in Nederland en was per 30 maart 2015 ambtshalve uitgeschreven uit het Nederlandse bevolkingsregister. In een beslissing van 9 november 2015 (besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2015 ongegrond verklaard.

1.2.

In uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de Svb, gegeven alle feiten en omstandigheden, kon besluiten dat er vanaf 1 april 2015 geen sprake meer was van een duurzame band van persoonlijke aard van appellant met Nederland.

2.1.

Appellant is in oktober 2016 naar Nederland teruggekeerd, evenals drie van zijn kinderen, [naam kind], [namen kinderen]. Met een besluit van 28 december 2016 is aan hem kinderbijslag toegekend voor [naam kind], met ingang van het eerste kwartaal van 2017. In bezwaar stelt appellant dat de ingangsdatum van deze kinderbijslag 1 januari 2012 zou moeten zijn, omdat hij nog nooit kinderbijslag voor deze dochter had ontvangen, maar wel, financieel, voor haar zorgde. Met een besluit van 4 april 2017 (besluit 2) is het bezwaar hiertegen eveneens ongegrond verklaard.

2.2.

In uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat appellant eerder dan vanaf de peildatum van het eerste kwartaal van 2017 weer als ingezetene van Nederland, en daarmee als verzekerd voor de AKW, aangemerkt kan worden.

3. In hoger beroep stelt appellant in essentie dat hij de hele periode dat hij in Indonesië verbleef aangemerkt moet worden als ingezetene van Nederland. Hij was slechts tijdelijk in Indonesië, om alles te regelen om zijn kinderen naar Nederland te halen. Hij had niet de intentie voor langere tijd aldaar te verblijven, maar door allerlei, vooral ambtelijke en administratieve, problemen heeft het langer geduurd dan gepland en gewenst.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Ter zitting heeft de Svb allereerst laten weten dat aan appellant voor alle drie kinderen vanaf het eerste kwartaal van 2017 kinderbijslag is betaald. Ook heeft de Svb ter zitting laten weten dat, gezien het beleid op dit punt, aangenomen moet worden dat appellant ingezetene is gebleven tot een jaar na zijn vertrek op 24 juni 2014 naar Indonesië, dus dat hij ook recht heeft op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2015. Vanaf 24 juni 2015 kan appellant niet meer aangemerkt worden als ingezetene, zodat hij vanaf het derde kwartaal van 2015 geen recht meer heeft op kinderbijslag. De Raad kan zich hierin vinden.

4.2.

Waar iemand woont wordt, gezien artikel 3, eerste lid, van de AKW, naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de

Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie in die zin ook de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908).

4.3.

In de beleidsregels van de Svb is het volgende vastgelegd. Of de band met Nederland verbroken is, stelt de Svb vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Als iemand uit Nederland vertrekt met het voornemen zich definitief in een ander land te vestigen, geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden. Als uitgangspunt geldt dat naarmate een betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de Svb het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen.

4.4.

Niet gezegd kan worden dat appellant heeft aangetoond dat hij ook vanaf het derde kwartaal van 2015 nog als ingezetene aangemerkt moet worden. Hoewel de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie van appellant, moet ook vastgesteld worden dat hij weinig concrete bewijzen heeft ingezonden voor zijn stellingen over de administratieve problemen die hij ondervond in Indonesië. Daarnaast woonden, ten tijde in geding, in ieder geval zijn kinderen in Indonesië en had hij in Nederland geen (zelfstandige) woonruimte, maar slechts een kamer bij zijn moeder. Ook laat de Raad meewegen dat hij, voorafgaand aan 2009, lange tijd in Indonesië heeft gewoond en slechts ruim vijf jaar weer in Nederland, voordat hij opnieuw, feitelijk, voor langere tijd naar Indonesië vertrok. Dat hij in juni 2014 naar Indonesië ging om zijn kinderen te bezoeken en vakantie te houden en pas bij aankomst de moeilijke situatie van zijn kinderen ontdekte waardoor hij voor hen moest gaan zorgen, maakt dit niet anders. Dit gegeven heeft geleid tot de conclusie dat appellant in juni 2014 niet naar Indonesië ging om daar langdurig te verblijven, waardoor zijn ingezetenschap meteen zou zijn geëindigd. Maar het leidt er niet toe dat aangenomen moet worden dat appellant de hele periode als ingezetene aangemerkt moet worden.

4.5.

Hieruit volgt dat uitspraak 1 vernietigd zal worden, voor zover dit betrekking heeft op het tweede kwartaal van 2015. Ook zal het beroep tegen besluit 1 gegrond worden verklaard, voor zover dit ziet op dit kwartaal. Voor de periode vanaf het derde kwartaal van 2015 wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

4.6.

Nu appellant vanaf het derde kwartaal van 2015 niet meer als ingezetene kan worden aangemerkt en hij in oktober 2016 weer naar Nederland is teruggekeerd, kan niet gezegd worden dat de toekenning van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2017 onjuist is. Op de peildata van de daaraan voorafgaande kwartalen was appellant geen ingezetene van Nederland en dus niet verzekerd voor de AKW. Uitspraak 2 zal dus bevestigd worden.

5. Er bestaat aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten van bezwaar en de proceskosten, voor zover dit betrekking heeft op uitspraak 1. Deze worden begroot op € 512,- voor kosten in bezwaar, € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 768,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De kosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep worden gelijkelijk verdeeld tussen de Svb en het Uwv, nu de gedingen tussen appellant en deze bestuursorganen gelijktijdig zijn behandeld door de Raad.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de uitspraak van 13 april 2016, voor zover betrekking hebbend op de aanspraak op

kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 november 2015 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover betrekking hebbend op de aanspraak op kinderbijslag over het tweede kwartaal

van 2015;

- bepaalt dat appellant recht heeft op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 3 juni 2015;

- bevestigt de uitspraak van 13 april 2016 voor het overige;

- bevestigt de uitspraak van 18 januari 2018;

- veroordeelt de Svb in de kosten in bezwaar en de proceskosten van appellant tot een bedrag

van € 2.304,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.P.W. Jongbloed

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

md