Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/4392 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een ANW-uitkering. De Raad acht voor deze gedingen niet doorslaggevend of de overledenen op het tijdstip van hun overlijden in de Marokkaanse wetgeving al dan niet als “assurés” werden aangeduid. Uit de formulieren MN/NM 205 blijkt immers dat zij op dat moment in ieder geval niet daadwerkelijk verzekerd waren en evenmin met verzekeringstijdvakken gelijkgestelde tijdvakken vervulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/153
NJB 2019/596
USZ 2019/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4392 ANW, 17/6830 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017, 15/4267 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2017, 17/2462 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante 1] te [woonplaats 1], Marokko (appellante 1)

[appellante 2] te [woonplaats 2], Marokko (appellante 2)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellantes heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Namens appellantes is

mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 1 januari 2014 is de echtgenoot van appellante 1 overleden in Marokko. Bij besluit van 11 december 2014 heeft de Svb haar aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) afgewezen. Het tegen deze beslissing gerichte bezwaar is bij besluit van 3 juni 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.2.

Op 5 februari 2016 is de echtgenoot van appellante 2 overleden in Marokko. Bij besluit van 21 september 2016 heeft de Svb haar aanvraag om een ANW-uitkering afgewezen. Het tegen deze beslissing gerichte bezwaar is bij besluit van 7 april 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

1.3.

De Svb heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat de overleden echtgenoten van appellantes op het moment van hun overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd waren voor de ANW. Ook kunnen appellantes volgens de Svb geen aanspraak ontlenen aan artikel 22, eerste lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 14 februari 1972 (NMV). Hun overleden echtgenoten waren volgens opgave van de Caisse Nationale de la Sécurité Sociale (CNSS) op het moment van hun overlijden niet actief verzekerd krachtens de Marokkaanse sociale verzekeringswetgeving. Dat appellantes in verband met het overlijden van hun echtgenoten wel een weduwenpensioen krachtens de Marokkaanse wetgeving ontvangen, kan niet leiden tot toekenning van een ANW-uitkering.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellantes ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 12 mei 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3291 en van

21 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7897, die betrekking hebben op artikel 18, derde lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (NJV), heeft de rechtbank geoordeeld dat een nabestaande aan artikel 22, eerste lid, van het NMV alleen aanspraken kan ontlenen als de overledene ten tijde van het overlijden daadwerkelijk verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving. Uit de formulieren MN/NM 205 blijkt dat de echtgenoten van appellantes op het moment van overlijden niet actief verzekerd waren. De weduwenpensioenen van hun echtgenotes berusten op in het verleden opgebouwde tijdvakken van verzekering.

3. In hoger beroep hebben appellantes aangevoerd dat de strekking van artikel 22, eerste lid, van het NMV afwijkt van de strekking van artikel 18, derde lid, van het NJV. In artikel 22 van het NMV gaat het volgens appellantes niet om gelijkstelling van tijdvakken of gebeurtenissen en daarmee niet om een uitbreiding van de ANW-verzekering krachtens fictie, die naar zijn aard beperkt moet worden uitgelegd. Deze bepaling bevat in de visie van appellantes een regeling voor degene die, zoals de overleden echtgenoten van appellantes, naar Marokkaans recht als verzekerde moet worden aangemerkt. Verder verwijzen appellantes naar de Toelichtende nota bij het NMV, Kamerstukken 11 806, zitting 1971-1972, van 28 april 1972, waarin is opgenomen dat de functie van artikel 22 NMV is, het achterwege blijven van een hoger Marokkaans weduwenpensioen te compenseren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenoten van appellantes op het moment van overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd waren krachtens de ANW. Verder blijkt uit de respectievelijke formulieren MN/NM 205 dat de echtgenoten van appellantes krachtens de Marokkaanse wetgeving niet langer tijdvakken van verzekering of daarmee gelijkgestelde tijdvakken hebben vervuld dan tot en met augustus 2002 respectievelijk maart 1998. In geschil is of appellantes aan artikel 22 van het NMV toch aanspraak op ANW-uitkering kunnen ontlenen, omdat zij een weduwenpensioen krachtens de Marokkaanse socialeverzekeringswetgeving ontvangen.

4.2.

Artikel 22, eerste lid, van het NMV luidt:

“Wanneer een werknemer op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen, en tijdvakken van verzekering volgens de Nederlandse wettelijke regelingen inzake uitkeringen aan nagelaten betrekkingen heeft vervuld, kan zijn weduwe op een pensioen krachtens laatstgenoemde wettelijke regelingen aanspraak maken.”

4.3.

In bovengenoemde uitspraak van 12 mei 1995 heeft de Raad geoordeeld dat uit de ratio van de bepaling in artikel 18, derde lid, van het NJV voortvloeit dat het fictief verzekerd zijn ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, uit hoofde van een Nederlands verzekeringsverleden, uitsluitend in het leven kan worden geroepen in het geval dat er op het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis sprake is van een daadwerkelijke verzekering ingevolge de (in die casus) Joegoslavische wetgeving. Dat wil zeggen dat er op het moment van overlijden een tijdvak van wettelijke verzekering lopende is, waarover premie of bijdrage verschuldigd is, dan wel een daarmee gelijkgesteld tijdvak. Dit oordeel is herhaald bij uitspraak van 21 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7897. Bij uitspraak van 13 september 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3309, heeft de Raad over artikel 22 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV) een gelijk oordeel geveld.

4.4.

De Raad ziet geen aanleiding om met betrekking tot artikel 22 van het NMV tot een ander oordeel te komen. Artikel 22, eerste lid, van het NMV stelt voor de opening van het recht op uitkering krachtens de Nederlandse wettelijke regelingen inzake uitkeringen aan nagelaten betrekkingen in ondubbelzinnige bewoordingen de eis dat de overledene op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen. Analoog aan zijn oordeel met betrekking tot artikel 18, derde lid, van het NJV en artikel 22, derde lid, van het NTV, acht de Raad ten aanzien van artikel 22, eerste lid, van het NMV onvoldoende dat de nabestaande aan de Marokkaanse wetgeving een aanspraak kan ontlenen uit hoofde van een in het verleden gelegen daadwerkelijk verzekeringstijdvak, waarbij niet van belang is of de Marokkaanse wetgeving de betrokkene als “verzekerde” aanduidt. Dat de tekst van artikel 18, derde lid, van het NJV afwijkt van de tekst van artikel 22, eerste lid, van het NMV, is in dit verband niet doorslaggevend. Evenals artikel 18, derde lid, van het NJV strekt artikel 22, eerste lid, van het NMV er immers toe, de voorwaarde te stellen dat het verkrijgen van een aanspraak afhankelijk is van de aanwezigheid van daadwerkelijke verzekering op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich voordoet.

4.5.

Gelet op 4.4 acht de Raad voor deze gedingen niet doorslaggevend of de overledenen op het tijdstip van hun overlijden in de Marokkaanse wetgeving al dan niet als “assurés” werden aangeduid. Uit de formulieren MN/NM 205 blijkt immers dat zij op dat moment in ieder geval niet daadwerkelijk verzekerd waren en evenmin met verzekeringstijdvakken gelijkgestelde tijdvakken vervulden.

4.6.

Ook het citaat uit de toelichting op artikel 22 van het NMV leidt niet tot het door appellantes gewenste resultaat. Dit citaat luidt:

“Dit artikel bevat een bijzondere voorziening ten behoeve van de nagelaten betrekkingen van in Marokko verzekerde personen die ook verzekerd zijn geweest ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet en die aan de Marokkaanse wetgeving dientengevolge geen recht op een volledig overlevingspensioen kunnen ontlenen. De geëindigde verzekering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet biedt bedoelde nagelaten betrekkingen echter geen aanspraken meer. In verband hiermede voorziet het onderhavige artikel in de toekenning door Nederland van een gedeelte van het weduwenpensioen naar rato van de duur van de verzekering in Nederland. Dit gedeeltelijke pensioen kan dan meer of minder het achterwege blijven van een hoger Marokkaans pensioen compenseren.”

Uitdrukkelijk wordt vermeld dat artikel 22 NMV een bijzondere voorziening bevat ten behoeve van de nagelaten betrekkingen van in Marokko verzekerde personen die ook verzekerd zijn geweest ingevolge de AWW. Het citaat bevat geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat het begrip verzekerde in artikel 22 van het NMV anders zou moeten worden uitgelegd dan als: daadwerkelijk actueel verzekerd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en T.L de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.P.W. Jongbloed

RB