Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/2123 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid onjuist vastgesteld. Het Uwv heeft niet kunnen uitleggen hoe het kan dat appellant in een tijdsbestek van drie maanden bij een ongewijzigde medische situatie meer beperkingen toebedeeld heeft gekregen. Er bestaat aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen zoals opgenomen in de FML van 29 maart 2018 ook al op de datum in geding aanwezig waren. Vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf door de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen op 80 tot 100% en te bepalen dat de WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2123 WIA

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 februari 2017, 16/2632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als snijzaalmedewerker in de confectie voor 40 uur per week. Hij is op 4 oktober 2006 uitgevallen vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens klachten aan knieën en benen. Met ingang van 1 oktober 2008 is aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij appellant 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. Met ingang van 27 december 2009 is de loongerelateerde uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 5 maart 2012 is vastgesteld dat appellant met ingang van 27 december 2011 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is verlaagd naar de klasse van 65 tot 80%. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is in eerste instantie ongegrond verklaard, maar na vernietiging van dit besluit door de rechtbank heeft het Uwv bij nieuwe beslissing op bezwaar van 29 november 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 27 december 2011 ongewijzigd recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verder is vastgesteld dat appellant met ingang van 23 augustus 2012 in staat wordt geacht om een SV-loon te verdienen van € 994,41 per maand, maar dat dit niet eerder dan met ingang van 23 augustus 2014 gevolgen voor de hoogte van de uitkering kan hebben. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2.

. Bij besluit van 20 november 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 23 augustus 2014 niet meer in aanmerking komt voor een loonaanvullingsuitkering, maar wel voor een WGA-vervolguitkering, op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80% en een resterende verdiencapaciteit van € 994,41 per maand. Bij besluit van

30 september 2015 heeft het Uwv vervolgens, op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat appellant 77,74% arbeidsongeschikt is en een resterende verdiencapaciteit heeft van € 974,40 per maand en dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 20 november 2014 en 30 september 2015 gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant tot 15 maart 2016 recht heeft op een loonaanvullinguitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met ingang van 15 maart 2016 recht heeft op een WGA-vervolguitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 70,67% en de resterende verdiencapaciteit op

€ 1.305,- per maand. Hierbij zijn de in bezwaar gemaakte kosten aan appellant vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft weliswaar geconstateerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd had waarom er geen beperkingen inzake de restless legs van appellant zijn aangenomen, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit motiveringsgebrek in beroep voldoende hersteld met de nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 oktober 2016 en 8 november 2016. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid voor appellant van de geselecteerde functies afdoende is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Omdat de medische grondslag van het bestreden besluit pas in beroep van een afdoende motivering is voorzien, heeft de rechtbank bepalingen opgenomen over vergoeding van door appellant gemaakte proceskosten in beroep en door hem betaalde griffierecht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ten onrechte niet volledig arbeidsongeschikt is geacht. Zijn beperkingen zijn onderschat en hij is niet in staat de geselecteerde functies uit te oefenen. Hij heeft ernstige knieklachten, hoofdpijn, last van spataderen, elleboog- en rugklachten en ook te kampen met slaapproblemen. Tevens zijn er psychische klachten ontstaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om uit energetisch en preventief oogpunt een urenbeperking aan te nemen. Appellant heeft gewezen op het besluit van 10 april 2018 waarbij aan hem met ingang van

1 september 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering is toegekend, omdat hij met ingang van 15 juni 2016 volledig arbeidsongeschikt is. Hij wijst erop dat er per 15 juni 2016 wel een urenbeperking is aangenomen als gevolg waarvan hij per die datum volledig arbeidsongeschikt is bevonden. Nu de medische situatie over de periode van 15 maart 2016 tot 15 juni 2016 ongewijzigd is, dient hij met ingang van 15 maart 2016 volledig arbeidsongeschikt te worden geacht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) dient het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te voldoen aan de volgende vereisten:

  1. de gebruikte onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;

  2. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;

  3. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.

4.2.

Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij besluit van 10 april 2018 vastgesteld dat appellant met ingang van 15 juni 2016 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Daarom is hem met ingang van 1 september 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts van 19 maart 2018, een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

29 maart 2018, waarin onder meer een urenbeperking is opgenomen, en een arbeidskundig rapport van 9 april 2018 ten grondslag.

4.3.

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat er geen aanwijzingen zijn voor de conclusie dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet niet aan de hieraan te stellen eisen, zoals genoemd in artikel 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onvoldoende gemotiveerd. Vaststaat dat de medische situatie van appellant tussen de datum in geding van 15 maart 2016 en 15 juni 2016 niet is veranderd en dat, gelet op het verzekeringsgeneeskundig rapport van 19 maart 2018, bij het vaststellen van de FML van

29 maart 2018 is uitgegaan van dezelfde klachten en medische informatie als bekend en meegenomen in de huidige procedure. Bij rapport van 10 december 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medische oordeel dat aan het besluit van 10 april 2018 ten grondslag is gelegd, betwist. Nu een andere verzekeringsarts op basis van dezelfde (medische) feiten en omstandigheden tot een andersluidend medisch oordeel is gekomen kan dit rapport niet overtuigen. Dit geldt temeer nu het Uwv het juridisch oordeel zoals weergegeven in het besluit van 10 april 2018 niet heeft herzien zodat van de juistheid hiervan mag worden uitgegaan. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting te kennen gegeven ook niet te kunnen uitleggen hoe het kan dat appellant in een tijdsbestek van drie maanden bij een ongewijzigde medische situatie meer beperkingen toebedeeld heeft gekregen. Gelet op het voorgaande bestaat er aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen zoals opgenomen in de FML van 29 maart 2018 ook al op de datum in geding aanwezig waren.

4.4.

Gelet op wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 15 maart 2016 vast te stellen op 80 tot 100% en te bepalen dat de WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van deze datum ongewijzigd wordt voortgezet.

4.5.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2016 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept de besluiten van 20 november 2014 en 30 september 2015;

  • -

    bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 15 maart 2016 op 80 tot 100% en bepaalt dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant per 15 maart 2016 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80-100%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 maart 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L. Boersma

rh