Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
18/1995 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening in verband met niet gemelde kasstortingen. Betreft inkomen, te besteden aan levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1995 PW

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

28 februari 2018, 17/850 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. Tamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 17/1342, plaatsgevonden op 8 januari 2019. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Tamer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. ten Cate. In zaak 17/1342 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 februari 2007 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een door de bewindvoerder van appellanten ontvangen en aan het college doorgestuurde anonieme melding, onder meer inhoudende dat appellanten met zwart geld de bruiloften van hun kinderen bekostigen, heeft een medewerker van Publieksdiensten en Sociale Zaken van de gemeente Hengelo (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2016, voor zover hier van belang, de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2015 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij uitspraak van

28 december 2016 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 juni 2016 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden heeft de Raad op het hoger beroep tegen deze uitspraak beslist.

1.3.

In het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand van appellanten heeft het college appellanten gevraagd om gegevens te verstrekken over onder meer stortingen op een eigen rekening in de maanden januari 2015, februari 2015 en juni 2015. Naar aanleiding van de ontvangen informatie heeft het college bij besluit van 3 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2017 (bestreden besluit), voor zover van belang, de bijstand over de maanden januari 2015, februari 2015 en juni 2015 herzien en de kosten van de over die maanden aan appellanten verleende bijstand tot een bedrag van € 707,76 van hen teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten, in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting, geen mededeling hebben gedaan van de stortingen op hun bankrekening en dat die stortingen als inkomen moeten worden aangemerkt dat op de bijstand in mindering moet worden gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit. Dit brengt met zich dat het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het college rust.

4.2.

Niet in geschil is dat op 14 januari 2015 € 40,-, op 27 januari € 80,-, op 10 februari 2015 € 50,- en op 30 juni 2015 € 505,- op de bankrekening van appellante is gestort. Evenmin is in geschil dat appellanten van deze stortingen geen melding bij het college hebben gemaakt en dat zij hierdoor de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17,

eerste lid, van de PW hebben geschonden.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450), die ook onder de PW zijn gelding heeft behouden, worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat de stortingen niet als middelen in aanmerking moeten worden genomen, omdat ze afkomstig zijn van leningen die zij bij familie en een vriend zijn aangegaan ten behoeve van de autoverzekering. Deze beroepsgrond slaagt reeds niet, nu geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met de stortingen sprake is van in aanmerking te nemen middelen.

4.5.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat de stortingen niet als inkomen kunnen worden aangemerkt omdat geen sprake is van periodieke stortingen. Bovendien hebben zij de ontvangen bedragen niet aangewend ten behoeve van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.6.

Deze beroepsgronden slagen niet. Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt is onder meer van belang of de bron naar zijn aard overeenkomt met de in

artikel 32, eerste lid, van de PW genoemde inkomensbronnen. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de bron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van een kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen (uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055). Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben hun stelling dat zij de stortingen van familie en een vriend hebben geleend ten behoeve van een autoverzekering niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Zij hebben vrij over de gestorte bedragen kunnen beschikken en hebben deze dan ook direct kunnen aanwenden voor hun levensonderhoud. De gestelde omstandigheid dat zij dit niet hebben gedaan, maakt dit niet anders. Het college heeft de kasstortingen terecht als inkomen in aanmerking genomen.

4.7.

Gelet op 4.2 tot en met 4.6 heeft het college dan ook aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor herziening van de bijstand is voldaan.

4.8.

Appellanten hebben geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat die geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Smolders

md